zondag 9 oktober 2016

Peggy Verzett – haar vliegstro

Liefde voorbij rationaliteit
Er zit een ontroerende scheur op de linkerwang in de oude foto van Peggy Verzetts moeder. Ze heeft een lieflijk gezicht. Mond in een glimlach een beetje open, geeft zicht op regelmatige boventanden. Kort krullend haar. Het gezicht heeft iets toegeeflijks; ze lijkt bereid tot overgave. Een donkere jurk, hoog gesloten, bij de hals een kinderlijk strikje. Een jeugdfoto van je moeder, van voor je geboorte. Daar moet je lang naar kijken. Wie is zij? Wat dacht zij, voelde zij?
En nu moet haar dochter afscheid gaan nemen. Hoe oud zou de moeder zijn? Ongeveer tachtig? In een verpleeghuis?
De bundel heeft een motto uit Under Milk Wood van Dylan Thomas. Ik citeer de vertaling van Hugo Claus:
Zoek Bessie Groothoofd op in het Wit Boek van Llaregyb en gij zult de luttele, verwarde rafels en de ene arme glinsterende draad van haar geschiedenis in die bladzijden met evenveel liefde en zorg bewaard vinden als de haarlok van een eerste verloren liefde.
De ‘ene arme glinsterende draad’: is dat ‘vliegstro’, haar vliegstro zoals de titel van de bundel luidt? Het kort krullend haar is vliegstro geworden.
‘Met liefde en zorg bewaard’; dat past bij de foto op het voorplat. De dichteres begint aarzelend:
Begin is eind is begin
begin een eind, begin ik een eind
haar einde een begin in een begin kan ik haar
einde als een kind, ik begin een kind
Dan volgt een ‘Klassiek gedicht’, dat wil zeggen een tekst met afgebroken regels, in vier strofen, twee kwatrijnen, twee terzinen en misschien zelfs een volta na de kwatrijnen.
verzettVolgens Piet Gerbrandy in De Gids (nummer 4, 2016), is het tijd ‘voor een poëzie die genres doorbreekt en groots en belachelijk durft te zijn. Poëzie waarin het hart van de dichter klopt.’ Geen afgepaste gedichten meer, maar gedichten en betogende of verhalende of associatieve passages, opsommingen, een bundel van tekstfragmenten. haar vliegstro is er een voorbeeld van, voorbij de rationaliteit, of vóór de rationaliteit. Wat gebeurt er allemaal met de dochter, met haar observaties en gedachten zonder stuur?
Peggy Verzett wil in haar gedichten geen praatjes bij plaatjes geven. Zij wil associatievelden naast elkaar leggen, ‘zoals je ook in een schilderij kan gaan schuiven met kleuren en vormen waardoor een beeld kan ontstaan dat je van tevoren niet hebt bedacht.’ Hier geeft ze vrijmoedig iets uit haar particuliere leven, maar ook nu is ze op zoek naar verrassing, ontregeling. (‘Die makkelijke metaforen worden aangedragen voor de mensen zonder fantasie door de broccoli!’)
lichtdruk fluitwerpen regelt, ochtend is avondschemer
snavels open tegen licht afgestelde
snavels bewegen
ik beweeg de kamer in als een groet
een tijd geleden ben ik in haar kamer geweest
het leer van de bank komt tegemoet en neemt lamplicht mee
de avond zal in de morgen komen
als m’n moeder hier wordt gedregd waarin ze met haar vliegstro ligt
op de avond die haar ochtend
als ze achter zichzelf vandaan californië dreaming in
voor de laatste keer, haar lam klettert op het marmer van
de witte bungalow
al haar Lamsgekletter, het dichtste wit
aan de ton sur tons
(Ton sur tons: naast elkaar geplaatste nuances van een enkele kleur, ontstaan door menging met wit en-of zwart.)
Moeder is ‘De gebalsemde tevens en de rest blijft duisternis in / een verliezende kalkkoper van een notitie, zij is wie zij is in alle bundels van / dichters.’
De dichter noteert de woorden ‘ze is’ vele keren onder elkaar, naast elkaar en weer onder elkaar. Er zijn jeugdherinneringen over het kroos: ‘Dus we hebben het met verkruimeld gemak nog eens over het kroos dat een grasvloer imiteert’.
Zij zit aan het bed van moeder en ziet: ‘Haar luistervingers zijn groot, lang als het werelddek. Zij kan ons / nagelriemend van ’t altaar afpraten. Niet zo gek als de zalen van haar intuïtie / door alles heen rollen’. De lezer kan hier denken aan een gebeurtenis uit het verleden van moeder en dochter: afscheid van het geloof.
Dit is poëzie om steeds weer te lezen, zonder na te denken, lezen met je hart, steeds weer, tot het gaat zingen als een oratorium, met proloog en koor.

Peggy Verzett – haar vliegstro. Querido, Amsterdam. 36 blz. € 16,99.

Mischa Andriessen – Dwalmgasten


Dwaalgasten en galmgaten
Dikke rook tussen de galmgaten; het wordt even helder tussen dikke rookwalmen.
De taal van deze ‘gedichten’ (ja, korte ritmische teksten, afgebroken regels, geheimzinnige wendingen, hoewel ook soms geknipte anekdoten) is glashelder en de betekenis is van glas, scherp gevaarlijk.
dwalmgastenHet gaat in alle teksten uit de bundel om bedreigende situaties. Een vader leert zijn zoon dat niemand te vertrouwen is. Een jager ziet per ongeluk een naakte godin, die hem verandert in een hert, dat door zijn eigen honden wordt verscheurd. Goden zijn niet te vertrouwen. De dichter vertelt niet eenvoudig het verhaal van Ovidius over Aktaion na, maar wel wordt aan het slot van het derde deel van de trits de bespringende roedel opgevoerd en de verbazing van de man.
Neem de oppergod: hij rooft een mooi jongetje en voert hem weg in de klauwen van een adelaar, de god zelf. Bij Rembrandt kun je zien hoe dat gaat. Het arme kind, een peuter nog, huilt en pist van angst. Ganymedes.
Een soort Jozef K. krijgt bezoek van twee ‘schaduwen’, wordt meegevoerd in een auto (die stationair draaiend staat te wachten; Mischa schrijft ‘stationaire wagen’), naar een kamer, moet zich uitkleden, waar misschien een foto van hem wordt gemaakt, gaat terug naar huis en kruipt bang in bed. Wat gaat er nog gebeuren? Rook.
Een vader en een zoon worden vastgebonden aan elkaar de Donau in geholpen. Gesprek tussen vader en zoon over geschoten worden of verdrinken.
De situaties doen denken aan deportaties, vrachtwagens, treinen, gaskamers. De vloek van het verleden heeft nieuwe generaties voorgoed besmet. Dachten we dat we veilig waren? Vluchtelingen betalen voor hulp, maar worden verraden, in de steek gelaten. Pinteriaanse situaties: indringers, die alles kapot maken. Het wordt allemaal droog verteld:
Toen ze aankwamen, waren we verdwenen
en zij waren al weer weg, toen wij tenslotte
uit onze schuilplaatsen tevoorschijn kwamen.
De kamer leek onveranderd op het eerste gezicht
was nergens iets van zijn plaats gekomen.
Zelfs de voordeur hadden ze achter zich dichtgedaan.
We kenden de verhalen van anderen.
Hoe alles overhoop was gehaald
wat breekbaar was gebroken
weg wat mogelijk waarde had.
We zijn gehoord, bad Pa
de armen zo hoog als denkbaar
in de lucht. O mijn god
sidderde Ma, een hand voor de mond.
Ze staarde naar grootmoeders stoel
aan het verre eind tegenover haar
telde ons met een trillende vinger
tot telkens weer een tekort.
Telkens weer een tekort: hoe lang kan Mischa Andriessen hier nog mee doorgaan? In ieder geval zou zijn redacteur Aafke van Hoof, die hij zo uitbundig bedankt, hem moeten suggereren andere thematiek te vinden. De uitgeverij zou het vertrouwen wat mogen temperen en Cees, Bonnie, Camiel, Eva, Nomi, Samuele, Thomas (aan wie de bundel wordt opgedragen) zouden moeten zeggen: ‘Genoeg, je schrijft voor onbekende lezers.’

Mischa Andriessen – Dwalmgasten. De Bezige Bij, Amsterdam. 73 blz. € 17,98.

Elly de Waard – In die tijd die


Pompeus èn lyrisch
De Harmonie is een trouwe uitgever met een divers fonds. Naast Hans Tentije, Elma van Haren en Hannah van Wieringen bijvoorbeeld, geeft zij Elly de Waard uit, vijftien bundels, van 1978 tot nu: In die tijd die.
Elly de Waard is een nadenkende dichter, die kond wil doen van het door haar geziene, beleefde, gelezene, doordachte. De bundel bestaat uit vier afdelingen: Tijd, ruimte; Materie, aarde; Slaap, evenwicht en een Oorlogscyclus. Het begint met ‘De triniteit van Pi’, waarin wordt ingegaan op de oneindigheid van het getal:
Nooit komt het getal dat pi aanduidt –
drie komma éen, vier, één
en een etcetera tot in het oneindige –
aan bij het volgende, de vier’
in-die-tijd-die-elly-de-waardVervolgens wordt dit verbonden met ‘Processen binnen / de evolutie’, met fractalen waarbij ‘de maat / steeds op de plaats blijvend voortgaat / Dat maakt dit ruimtelijk getal / tot transcendent’. Ik heb een wiskundige (met gevoel voor poëzie) gevraagd of de beeldspraak passend is. Hij vond het nogal gezocht, pompeus en wiskundig niet erg helder. Het maakte op hem de indruk van iemand die gesnuffeld had aan de wiskunde, maar die niet helemaal had begrepen doordat zij ongelijksoortige zaken met elkaar verbindt, bij voorbeeld pi en transcendentale getallen.
Ook het volgende gedicht is beschouwend, essayistisch:
Als wij aannemen dat het heelal een
gesloten systeem is, bepaald door zijn
oneindigheid, dan zal het, zoals alle
gesloten systemen, onderhevig zijn
aan de wet van het behoud van energie
Deze stelt dat de totale hoeveelheid
stuwkracht in een geïsoleerd systeem
te allen tijde constant blijft, wat wil
zeggen dat zij niet kan worden gecreëerd
of vernietigd maar alleen worden
omgezet van de ene vorm in de andere
En zo gaat het door. Het afbreken van de zinnen – uit een natuurkundeboek? – moet leiden tot de vorm van een gedicht, maar hoewel ik toegeef dat er poëtische gedachten in deze tekst aanwezig zijn, stel ik me bij een gedicht toch iets anders voor. De poëtische gedachte is deze: ‘Analogiseren wij dit vervolgens naar / de energie die leven heet dan kan een / denkbeeld als reïncarnatie plotseling / volstrekt aannemelijk worden’.
De tekst heeft als tweede strofe de volgende – en ik vind deze behalve poëtisch ook wel geestig, omdat de dichteres de betoogtrant volhoudt.
Maar laten wij dit betoog weer tegenstrijden
met de wind, die afspiegeling van de
energie zelf, die nooit tot stof verwordt
het alleen opschudt, wegblaast, leven waait
in water en beweging in nooit van hun
plaats komende bomen – die vooral zichzelf
verandert en in vele gedaanten tegelijk
kan bestaan in de quantumverstrengeling
van zijn superpositie, multilokaal en
onsterfelijk: de wind
De betoogtrant, een beetje plechtig spreken, houdt zij vol in het titelgedicht, waarin zij woedend reageert op het stenigen van vrouwen uit naam van een zogenaamd heilig boek, of op het in stukken scheuren etc. van een slachtoffer om niets, of op ouders die elkaar zo gingen haten dat ze hun ‘engelachtige’ kinderen en zichzelf vermoordden. Woedend is zij ook in de oorlogsgedichten. Ze is aangedaan door de slachtoffers van de MH17 en het eindeloos interpreteren van wat er nu eigenlijk gebeurd is en wie er schuld heeft. Zij ergert zich aan de leugens.
Er zijn ook lyrische gedichten, vooral de gedichten die te maken hebben met bomen of andere natuurverschijnselen en natuurlijk de liefde en het verlies. De titel verwijst naar het verschijnsel dat je in een discussie pas achteraf bedenkt wat je had moeten zeggen tegen je opponent.
L’esprit de l’escalier
Steeds liep ik achter haar aan
een geur die in de kamer hing
schaduw die langs het raam verging
een deur die dichtgevallen was
waarvan de echo nog weerklonk –
een bril, opzij geschoven en vergeten
auto die niet in de garage stond
Elly de Waard is toch vooral de dichter die rommelt op de zolder van haar weten en speelt met haar ervaringen van alledag ‘en er de gekste clips van knipt’ en de dichter die aansluitend bij de actualiteit, zoals het neerschieten van de MH 17, het gedicht hierover eindigt met het obligate: ‘Hun dood is niet het einde / maar het begin / van een oneindige droefheid’.

Elly de Waard – In die tijd die. De Harmonie, Amsterdam. 57 blz. € 15,90.

Tomas Lieske – Daedalea

Deernis
Eerder schreef ik over Lieske in ‘De Gids’, 1988:
De gedichten van Tomas Lieske zijn uniek. Ze zijn wonderlijk bizar, eigenzinnig, geestig: droombeelden van een dichter. De onderwerpen komen uit diverse tijden en plaatsen, waarbij kennis van en belangstelling voor mythologische verhalen opvalt. De al genoemde preoccupaties scheppen eenheid, maar de wonderlijke verhalen in hun verrassend poëtische taal laten de lezer vaak in verwarring achter, ook al omdat hij de referenties niet altijd kent.

Het is sindsdien een stuk gemakkelijker geworden dankzij zoekprogramma’s op de computer. Je zou zeggen dat Tomas Lieske de krankzinnigste dingen verzint, maar de Peacock spider, te vinden in de nieuwe bundel Daedalea, bestaat echt. Op een YouTube-filmje kun je een raadselachtig ballet zien van deze spin. Ik moest denken aan schilderijen van Lucebert.
De bundel wordt door de schrijver een vertelling in gedichten en prozagedichten genoemd. Eerder publiceerde hij in ‘De Gids’ het eerste deel. Het is een stemmenspel. De stemmen worden vertolkt door acht klonkies. Dat is Zuidafrikaans voor kleurling, meest jonge mannen. Eelementen uit die taal vinden we in de bundel terug. Het spel bestaat uit vier delen of bedrijven en dertien taferelen. Het eerste bedrijf gaat over de terugkeer van Keto Stiefcommando, de hoogvlieger à la Daedalus. Daedalea is de doolhofzwam (Daedalea quercina), een schimmel uit de stam der steeltjeszwammen.
lieskeHet onderwerp van het spel is Mosje die het grote volk verschoppelingen bevrijdt en meevoert naar het Beloofde Land. Daarbij komen we bekende thema’s tegen uit het boek Exodus: twee plagen en tenslotte de gang door een zee met muren van water. Mosje is waarschijnlijk geïnspireerd door een kleurling die bij een bushalte rondliep in een jasjurk op blote voeten. Hij sleepte met manshoge in zwart plastic gebonden vierkante pakken. In dat pak zat oud papier en het merkwaardige was dat de man zo’n pak openmaakte en alles opnieuw ordende. Daarna danste hij een ‘springhazendans’. Het speelt in Parijs, voornamelijk langs de Seine. De verschoppelingen zijn de zwervers, de hoeren, de bedelaars, de Afrikanen. De Egyptenaren zijn de welgestelde Parijzenaars, als pars pro toto voor de Fransen, de westerlingen. En je zult al gauw denken aan het actuele probleem van de vluchtelingen en de eigen-volk-eerst-reacties. Waarbij de vraag is of de achterblijvers het redden zonder dienaren. Uiteindelijk houden de verschoppelingen de economie draaiende.
De klonkies spelen Imker Graat, een soort verteller, die veel met honing heeft, ‘de gomhars van de verschillende taferelen’. Verder: Farao, een koning; Sua Vecito, zijn dochter, die Mosje uit het water laat vissen. Zij speelt ook nog een jongste dochter van de farao op wie Mosje verliefd wordt. Ze moeten elkaar in het geheim ontmoeten. Sua Vecito verwijst naar haarpommade; ze heeft relaties in iedere barbershop. Merci Merci, een dienstmeisje, staat voor alle mensen met ‘een watersoeploon’, in het oude Egypte de tichelbakkers, piramidebouwers. De wraak van de meisjes is gruwelijk. Ze zullen Sua Vecito vastbinden en bewerken met scherpe koksmessen. De paringsdans van Mosje lijkt op die van de peacock spider; kijk maar.
Dit zachte wiegen geldt als intro, nu de strek
correct, maar dan snel omhoog opdat alles
aan mijn lijf lustig gaan vibreren.
Met onze mond kan ook. En als u wilt
mit Regenhut. Ik zet mijn onderlijf
rechtop als varkensleren theemuts, als tiara,
als helmhoed van verborgen en nauwelijks
beschreven wilde stammen, teken van macht
van tovenaars, tirannen, tegenpausen.
Het rood is koninklijk bloed vergoten
in eeuwenoude twisten. Het blauw
is mist en nevel rond stille boerenhoeven.
Het geel is het stroeve, afgebakend licht
van gebrandschilderde namen. Neem,
mevrouw, het geile groen in overgave,
gillend, volledig in het zicht.
Ook in het proza grossiert Lieske in originele en sprekende metaforen: ‘Een pasgeboren ochtendmist trekt met vaandels van natte tule langs de huizen.’ ‘Voor haar is klanten vangen als kakke zonder douwe’.
Het is alles maar een spel, een Shakespeariaanse droom, maar ondertussen hebben we meegeleefd met de clochards en de Afrikanen en ook met de Pakistaan die voor een slagerswinkel ligt te sterven, tot grote zorg van de slager, niet vanwege de Pakistaan, maar vanwege het wegblijven van de klanten, Arabia Felix, één van de meisjes zegt:
Hoeveel verlangens, visioenen scholen in dat hoofd?
Zijn dagen van bewustzijn, zijn reizen naar het westen, hij liep
van de zon weg op zoek naar andere kansen. Wat is de naam
die zijn god in zijn blind en doof hoofd zal dragen?

Tomas Lieske – Daedalea, Querido, Amsterdam-Antwerpen. 76 blz. € 17,98.

zondag 18 september 2016

Jan Kuijper – Aanmatigingen



Albumbladen

Sinds de Vijftigers dachten we dat metrum en eindrijm en vaste strofenbouw verdwenen waren en toen de Zestigers afscheid namen van de woeste metaforen en de hemelbestormende lyriek, maar evenmin eindrijm etc. gebruikten, dachten we: zie je wel?
Toen kwamen de Zeventigers met Komrij en Kuijper, heel verschillend, maar daar waren eindrijm etc. weer terug. Vroman had al eens gewezen op het prettige van eindrijm. Het gaf hem een soort houvast dat de inspiratie stuwde in plaats van in de weg stond. Kuijper deelde die mening. Hij schreef sonnetten en die vorm zorgde voor een zekere spanning die hij ambieerde. Bovendien bleken zijn vrije verzen volgens hem ‘volstrekt onbegrijpelijk’. Hij had de tucht van het sonnet nodig. Hij maakte overigens zeer eigenzinnige gedichten die tegelijk alledaags en hoog literair waren. Het eindrijm was keurig en toch verrassend, het metrum jambisch, zoals het hoort, maar nooit verviel hij in een dreun, wat bij anderen – sonnettenbakkers – wel gebeurde.
In zijn bundel Bijbelplaatsen vertrok hij vanuit een regel waarop hij bij lezing stuitte en die hem beviel, omdat hij raadselachtig en fascinerend was, en dan volgde een sonnet, dat op de een of andere manier te maken had met de inhoud van het bijbehorende verhaal. Zo begon hij een bekend geworden sonnet met ‘Slorpen van dat rode, dat rode daar’. In Genesis 25:30 zegt Ezau: ‘Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar’. De hitsigheid van de herhaling kreeg Jan Kuijper dus cadeau. De ik van het gedicht lijkt Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkoopt aan Jakob. Daarna gaat de dichter zijn gang en heeft het gedicht wel te maken met gulzigheid, domheid en schuldgevoel, maar vragen we ons af of het nog wel over Ezau gaat. Jan wil geen bijbelverhaaltje navertellen.
In Tomben schreef hij over dode dichters, van Hendrik van Veldeke en Jan van Brabant tot Pierre Kemp. ‘Prachtige blauwen lucht geeft ik een hand’; hier denkt de lezer: geeft? of ik? en dan eindigt het gedicht met de regels: ‘Als bliksem staakt wij donderend geraas / over de koolpikravezwarte moren.’ En de lezer denkt: staakt? wij? Bij Kuijper moet je altijd heel goed lezen.
Nu is er de bundel Aanmatigingen waarin ‘Albumbladen’ staan voor nog levende dichters uit de Queridostal, door Jan Kuijper bijeen gezet in de tijd dat hij daar lector en redacteur was. Er is één tombe bij, voor de jong gestorven Erik Menkveld. En ook hier een eerste regel van de geëerde dichter. Erik Menkveld schreef:
Met ledematen door struikgewas geschramd

lukt het bij duister onverwacht te arriveren

op een plek die altijd uithoek is gebleven:

uitsluitend in trek bij ezels en geiten,

in feite niet meer dan een stenige vlakte

met tegen beter weten in een boerderij.

Verbouwereerd beperkt de eigenaar zich

tot eenvoudige klanken en het presenteren

van een inderhaast georganiseerde sigaar.

Maar diezelfde avond nog slaagt hij erin

muzikaal te onthalen op blaasinstrumenten

en in authentieke kledij van de streek

naast een prijswinnend schaap te paraderen.

En de volgende ochtend al heeft hij een dorp

met een levendig marktplein van de grond

temidden van berghellingen vol wijnranken.

Tirade 458 ging over de herinnering aan Erik Menkveld, met als thema ‘Meester en leerling’ en zie nu wat Kuijper hiermee doet:

Een plek die altijd uithoek is gebleven

Is nu voor haar bestemd. Zij past erin:

zij is vermagerd. Dit is het begin

Van wat zich na het einde van haar leven

had moeten afspelen – zij is verdreven

uit alles wat betekenis of zin

leek te geven aan wat zij deed: een spin

uit zijn verscheurde web, een uitgeschreven,

allang door leerlingen verdrongen dichter,

die liever jong gestorven was dan in de

vergeethoek van de kast te vegeteren.

Blijft alles zwart, of wordt het langzaam lichter?

Is zij al te verdord om stof te vinden

die haar tot herfstdraden kan inspireren?

Natuurlijk, het gaat over de ontijdige dood van een spin en zelfs over dichterschap, maar toch ook een beetje over Erik Menkveld.
Bij ‘Albumblad voor Margreet Schouwenaar’ is het lastiger. In hoeverre gaat het over de dichteres?

Zegeningen en snoeimessen op zak,

zo zeg ik tegen jou: raak me niet aan –

je bent daarbij al eens te ver gegaan,

de geest is willig maar het vlees is zwak,

het vlees waar ooit een man een lans in stak,

één vlees, waarin wij allebei bestaan,

al was jij bijna dood door godsdienstwaan

en ik al helemaal. En toen ik sprak

van mensen die niet weten wat ze doen,

dacht ik aan steniging én aan het kruis,

aan straffen van Romeinen én van Joden.

Maar ik ben niet zo lijdzaam meer als toen:

Judas zal eeuwig branden, jij blijft kuis,

in deze dood zijn liefde én haat verboden.

Het gedicht van Margreet ging over Theresia van Lisieux (1873 – 1897), een heilige van de katholieke kerk, die bekend was door haar verering van Jezus. De ik van het sonnet van Kuijper moet Jezus zijn, die Theresia toespreekt. Wat me weer verbaast is de weergaloze rijmtechniek.
Voor de liefhebbers nog even: er zijn albumbladen voor Eva Gerlach, Astrid Lampe, Anne Vegter, Kees ’t Hart, Rozalie Hirs, Kreek Daey Ouwens, Sasja Janssen, Anneke Brassinga en anderen.

Jan Kuijper – Aanmatigingen. Querido, Amsterdam. 38 blz. € 16,99.

Hedwig Selles – Wie hier binnentreedt



IJdel en onuitwisbaar


Wie hier binnentreedt is de titel van Hedwig Selles’ vierde bundel en de lezer zal benieuwd zijn wat hem te wachten staat.
Gelukkig is de titel van het eerste gedicht ‘Wie hier binnentreedt doet eerst een wens’. De lezer wil weten wat voor wens dat is en waarom hij die moet doen en wat het gevolg is. Laten we aannemen dat hij hier eerst over nadenkt.
Het is altijd goed om een dichtbundel nadenkend te benaderen. Wie doet een wens? De lezer zelf natuurlijk. Wat wil hij met het lezen van een bundel bereiken? Inzicht in de dichter of in zichzelf, omdat mensen nu eenmaal meer gelijk dan verschillend zijn. We hebben tenslotte allemaal een hart, longen, een maag, hormonen en vijf vingers aan elk van onze handen. We verlangen naar liefde en (meestal) niet naar de dood.
‘doe eerst een wens’: het lijkt een gebod. We mogen niet zomaar binnentreden. We moeten ons gaan verstaan met de gedichten. De lezer die uitsluitend uit is op vermaak, zal andere teksten prefereren of misschien helemaal geen tek-sten, maar beelden. Het aardige is natuurlijk dat de woorden van gedichten beelden oproepen, maar daar moet je wel oog voor hebben en misschien moet je een beetje je best doen.
Eerste regel: ‘Het is stil op de bodem van het meer.’ Uiteraard. Moet ik hier binnentreden? Onder water? Op de bodem van het meer?
Tweede regel: ‘een flinterdunne slaap’. Een slaap. Gaat het om onbewuste gedachten? Droomgedachten? De slaap is flinterdun. Juist in half slaap komen onverwachte gedachten, spreekt misschien je onderbewuste.
‘ik draai / mijn gezicht naar de muur’. De ik slaapt onrustig, zoekt houvast. ‘je wilt toch iets in de buurt hebben, niet zo-maar wegzinken’.
‘naast roodwier en troosteloze poëzie’. Roodwieren vind je vooral in poeltjes in iets dieper water.
Wat is troosteloze poëzie? Slechte poëzie, lollige poëzie?
‘maar ik zie mogelijkheden// voor vissen met luie onderlippen’ Roodwier is voedsel voor vissen.
‘sereen samengaan de diepe/ duisternis in ook al is/ een afscheid op den duur niet te vermijden’.
‘sereen samengaan’ lijkt vooral op mensen te slaan, op liefdesparen wellicht. Samen de duisternis in, al leidt dat op den duur tot afscheid. De duisternis is te groot of onbevredigend. Waarom? ‘gezien mijn verlangen naar schoonheid ijdel/ en onuitwisbaar is’.
De ik kan het ‘sereen samengaan’ niet langer aan. Hij of zij moet vluchten, al is het verlangen naar schoonheid ijdel, maar onuitwisbaar.
Zo is de situatie voor de ik. En de lezer? Of moet ik de titel lezen als betrekking hebbend op de ik van het gedicht? Wie hier binnen treedt, in het gedicht, is de schrijver/schrijfster van het gedicht en zij, zeg ik nu maar, realiseert zich dat het afscheid van een geliefde niet te vermijden is. Haar verlangen naar schoonheid is weliswaar ijdel, maar onuitwisbaar. Het verlangen naar schoonheid maakt een eind aan de ooit gewenste liefde.
Nog even: de lezer? Hij doet een wens het gedicht te delen, maar het kan niet: het verlangen naar schoonheid is ijdel, niettemin onuitwisbaar. De lezer probeert contact te leggen, steeds weer, en in het proberen vindt hij zijn relatie met het gedicht. Paradoxaal, maar niettemin.
In de bundel vindt hij vele gedichten over deze pogingen. Indringend, onontkoombaar, met verrassende beelden en ook zelfspot.

Hedwig Selles – Wie hier binnentreedt. Vrijdag, Antwerpen. 44 blz. € 18,50.

Max Temmerman - Arty-farty



Bij het eerste gedicht dacht ik: dat gaat goed, maar later: er staan te veel babbelgedichten in Zondag acht dagen van Max Temmerman. Bij voorbeeld het tweede gedicht van de bundel:
‘Het regende oude wijven toen ik vannacht strandde
halverwege Antwerpen en zijn brokkelige rand.’
en even verder:
                                                        ‘(In het Frans
heet een vuurtoren un phare, schoon Vlaams is dat
voor de grote lichten van mijn wagen waarin onze kater
steevast pleegt op te dagen.’
en, nog in het zelfde gedicht:
‘Soms loop ik in het donker de tuin in,
tussen bomen en struiken op zoek naar wat ik had.
Soms ook koester ik in het adresboek van mijn gsm
de namen van mensen die ik niet meer ken.’
Ook het gedicht ‘Oude Belgen’ op p.43 lijkt eerder een fragment uit een column:
De fluimen die ze ophoesten sieren als schuimkragen
de grond van hun vaders. Hun hele leven hebben ze
gewerkt,
nog harken ze dagelijks hun oprit aan,
het lichtblauwe grind dat nooit ligt zoals het moet.
8Ja, metaforen vind je ook in columns. De vergelijkingen en de metaforen van Temmerman zijn niet altijd even gelukkig: ‘bloedspatten van aangereden wild als vloeibare confetti; platanen die vervellen tot rekeninghouders van overmoedige seizoenen; een omgeving die op ons inwerkt als een aanhoudend bombardement van overmoedige seizoenen.’
Veel gedichten zijn verhaaltjes of kleine columns, zonder verrassende of vreemde observaties. De metaforiek zou ze tot poëzie moeten verheffen, maar de metaforen zijn te voor de hand liggend of te bedacht of te raar.
‘wie zorgt er dan voor de beelden achter onze ogen?
We moeten blijvend over hen waken opdat zij
als vaders op ons neer kunnen kijken.’
en
‘We geven vorm hoe de vork in de steel
alvorens die zelf uit te vinden,
getand, buigzaam, los in de hand.’
In het slotgedicht ‘Danse macabre’ valt de dichter de mensen aan die aan de kant blijven staan bij een carnavalsstoet, ‘de neuzelende profeten die niet durven en lamlendig aan / het recenseren slaan’. Hij gebruikt daarbij de term ‘arty-farty’. Ja, dacht ik, dat is het: hij probeert te hard om zich te verbinden met serieuze poëzie en wordt daardoor flauw en vervelend.

Max Temmerman – Zondag acht dagen. Vrijdag, Antwerpen. 80 blz. € 15,00.