maandag 5 augustus 2019

‘Winterlaken’ van Mischa Andriessen

Hoe radeloosheid ondergaan, bestrijden?


Hoe maak je van een drama poëzie, dat wil zeggen een tekst die blijft fascineren, die het raadsel intact houdt en toch wijst op een verschrikkelijk gebeuren en de gevolgen daarvan? Je kunt gebruik maken van mythische figuren, omdat het drama tegelijk persoonlijk en algemeen is. Bij het gedicht ‘Daena’ staat een motto van Giorgio Agamben: ‘Men schrijft om onpersoonlijk te worden.’ Kopland zei ooit: ‘Het moet zo persoonlijk dat het onpersoonlijk wordt’ of was het andersom?

Het drama wordt in de bundel ‘Winterlaken’ van Mischa Andriessen beschreven onder de koele titel ‘Daar’: ‘Daar was een kind, een halve minuut hooguit, aan de aandacht van zijn soezende ouders ouders ontsnapt (…)’ Het kind is in zee verdwenen. Weg. Daarna de radeloosheid van het steeds maar weer tevergeefs zoeken, het schuldgevoel.

Er zijn stijlfiguren zoals de hyperbool die de waanzin, de machteloosheid, de totale onbegrijpelijkheid van zo’n drama kunnen weergeven. De moeder staat steeds weer aan de waterkant te wachten tot het kind terugkeert, ook in het donker. De vader brengt haar eten en drinken; veegt zand en vuil van haar gezicht, vraagt haar om ‘vergeme’ (god vergeve mij) naar huis te komen, maar zij zegt: ‘Nog evenkes’ en hij weet dat ze daar blijft. En dan gebeurt het onmogelijke, passend bij de onmogelijke situatie, het onbegrijpelijke verdriet: haar lichaam krijgt veren, handen en armen worden vleugels, benen en voeten krijgen scherpe klauwen, haar zachte stem wordt een krijs. Ze stijgt op boven haar ‘wepele’ (lege) huis. De vogel zweeft boven de zeeën, haalt wrakhout boven, een fles zonder brief. Dit is te lezen in een prozatekst, waarbij al of niet expres twee alinea’s aan het slot herhaald worden: de alinea’s die gaan over haar metamorfose. De lezer denkt wellicht aan Daphne die in een boom veranderde. Er is dan al een beeld gekomen, als hij of zij dat kent, uit 'The French Lieutenant's Woman’, de vrouw die steeds op de pier staat uit te kijken naar haar geliefde, die niet terugkeert.
De vader in het drama van ‘Winterlaken’ wordt in de beschreven tekst halfzot.

Er zijn andere beelden die de onmogelijkheid van terugkeer naar de ‘oude’ liefde weergeven. Er is het weerhuisje, waaruit of de man of de vrouw naar buiten komt, al naar gelang het regent of niet.

Weerhuis

Zij denkt niemand komt binnen
Door een deur die op slot zit
Kan niemand eruit denkt hij
De sneeuw bedekte de stappen
Denkt zij er was hier niemand
We bellen elkaar alleen nog maar
Om te achterhalen waar we toch
Onze telefoon hebben weggelegd
Hij denkt wat als we nog een keer
Wisselen van plaats dadelijk weggaan
Bij het beslagen raam waar zij denkt
Hij denkt nooit meer aan die nacht
Toen ze binnenkwamen een ravage maakten
Van wat we toegewijd hadden opgezet
Maar we konden het wel op dat moment
Denkt hij laten we ogenblikkelijk weggaan later
Terugkomen en het huis zien alsof we hier
Niet eerder waren onze sporen vervaagden
Denkt zij het sneeuwt alweer denkt hij
Zij denkt het is te koud om open te doen
____

In dit gedicht denkt de vrouw ‘niemand komt binnen / Door een deur die op slot zit’ en denkt de man: ‘Door een deur die op slot zit / Kan niemand eruit’. Een treffende apokoinou, die de wanhopige situatie weergeeft. Ze zijn met elkaar verbonden en tegelijk gescheiden. De overige beelden van het gedicht geven een herhaling van deze situatie. Het gedicht is gebouwd rond de tegenstellende beweging.
Het voortdurend herhalen van ‘zij denkt’ en ‘denkt hij’ geeft aan hoe machteloos het paar is om bij elkaar te komen. Het is denken, denken en niet praten of aanraken.
In een andere tekst met de titel ‘Daar’ wordt het begin van de liefde beschreven. In een kamer waar een dansvoorstelling heeft plaats gevonden, blijven de geliefden achter. Hij tilt haar over een drempel en zegt lachend dat dat een voorbode is, waarop zij ’schaterzegt: ‘Ja, ik wil’’
In ‘Ichtus’ duwt zij haar geliefde in het water. De kamer van het begin wordt genoemd. Zij wil hem terug zoals hij toen was, nog niet fataal gewond:
‘Nadat ze hem in het water had geduwd / Wachtte ze een week tot hij thuiskwam / Ze streelde de mond die naar adem hapte / Zijn glanzende vel schilferde op haar huid / Met haast streek ze hem weg vroeg snel / Waarom heeft het toch zo lang geduurd / Omdat een stem me vroeg wat ik wist / Zei hij welke kamer het precieze tijdstip / Van aanvang wat er klonk wie wie tilde / En ik twijfelde en begreep dat ik terug moest / Ze nam hem in haar armen en droeg hem / Terug naar het diep waar ze innig bad toen / Ze hem inwierp dat hij nog eens terugkwam / Als die ander die zij kende en zo graag zag’.
In ‘Theorema’ lijkt het kind terug te komen om de ouders te verzoenen. Het optreden van de bezoeker doet sterk denken aan het optreden van Jezus na zijn verrijzenis, zoals bij de Emmaüsgangers.
Er zijn mythologische wezens onder water, zoals de ekkerman, een vreeswekkend monster dat kinderen omlaag trekt in een put of ondiep water. Een Keltisch wezen is de kelpie, die je ook onder water trekt.
De titel van de bundel vinden we terug in het gelijknamige gedicht. Een winterlaken is warm. ‘Je spint je in het laken in / Slaapt onaantastbaar wit en stil / Onvoorstelbaar dichtbij ben ik / Maar je kiemde tot een pop / Dua moet ik wachten je hoort me niet’.

Mischa Andriessen, ‘Winterlaken’, De Bezige Bij, Amsterdam 2019
73 bladzijden

vrijdag 2 augustus 2019

Eenvoudige woorden en neologismen Monica Boschman

Eenvoudige woorden en neologismen


Monica Boschman (1965) is tekstschrijver, schrijfdocent en dichter. Van 2012 tot 2014 was zij de eerste regiodichter van de Noordelijke Maasvallei. Zij kreeg diverse eervolle vermeldingen bij poëziewedstrijden in Nederland en België. In 2017 won zij de Plantage Poëzie Prijs.
‘Zeerslag’ is haar debuut bij uitgeverij U2pi, een uitgave in de reeks ‘open’, met in de redactieraad  Jos van Hest en Will van Sebille. 
Eric van Loo op Meander vindt haar gedichten ‘weinig uitgesproken’: ‘Vrije verzen, van wisselende opbouw. Weinig gebruik van rijm of assonantie, metrum of andere expliciete poëtische stijlmiddelen.’ Wat zou hij vinden van de volgende verzen: ‘Duren rechtszaken eeuwig? Wassen rivieren eeuwig? Een libelle vliegt over het water; haar aanschijn  weerspiegelt even de zon - en dan is er plotseling niets meer.’, als hij niet wist dat ze komen uit het Gilgamesj-epos? Hier wordt gesproken over de dood. Deze poëzie is duizenden jaren oud.
In ‘Zeerslag’ van Monica Boschman lees ik: ‘Hoe was het voor ik de bedoeling was? (…) Nog steeds vraag ik me af / hoe ik wist dat ik daar moest zijn.’ In het laatste gedicht uit de bundel, ‘Luchtveren’ gaat het over zo iets eenvoudigs en tegelijk geheimzinnigs als de wolkenlucht.


‘Wie splitst het wit
van blauw, legt het op hopen
waarin wij alles kunnen zien?

Een vroeg geweken kind misschien
een herdersjongen met gevoel
voor wol en schapen tellen.

Wie mengt, als alles al
uiteen gekeken is, het grijs
twee tinten lichter?

De stem van God misschien
die het niet dondert dat voorbijgaan
op voorbijgaand lijkt.

Wie daalt in dichter zwart
de ladder af om ons te klaren?

Ik trek mijn vleugels aan
en veeg de lucht.’

Andere vragen, even eenvoudig van taal, maar in wezen even geheimzinnig. Mensen veranderen in duizenden jaren niet erg veel.
Liefdesliederen uit de bijbel, een ander voorbeeld van eenvoudige taal die vragen stelt waarop het antwoord niet gemakkelijk te geven is. ‘Allerliefste, zeg me toch / waar jij je kudden laat grazen! / Vertel me waar je 's middags / je dieren laat rusten. / Of moet ik de kudden van je vrienden / langs gaan om je te zoeken?’

Nog een voorbeeld van Nijhoff: ‘Zingend en zonder herinnering / Ging ik uit het eerste land vandaan, / Zingend en zonder herinnering // Ben ik het tweede land ingegaan, /O God, ik wist niet waarheen ik ging / Toen ik dit land ben ingegaan. // O God, ik wist niet waarheen ik ging / Maar laat mij uit dit land vandaan, / O laat mij zonder herinnering / En zingend het derde land ingaan.’

Monica schrijft: ‘Nog steeds vraag ik me af ? hoe ik wist dat ik daar moest zijn.’

De titel van de bundel doet me denken aan ‘Neerbraak’ van Harmsen van der Beek. ‘Je zou kunnen zeggen dat een neerbraak moet zijn: de neerslag van een gedachte over het een of ander van een schrijver, zó geformuleerd dat een (voor)oordeel wordt doorbroken bij de lezer.’ (HvB)
‘Zeerslag’, geen mooi woord naar mijn mening. Het zou de neerslag van iets wat zeer doet of deed kunnen zijn,  maar zo dat de lezer de situatie moet afleiden uit het gebruik van bepaalde woorden, zoals ‘zandstraalden’, ‘oude wanen’, ‘breken’, ‘scheermessen’, ‘schreeuwen’, ‘onnodig intiem’, ‘nemen op de korrel’, ‘verzanden’, die we vinden in het volgende gedicht dat over een breuk gaat.

‘Strandpaal 22

Daar spraken we af, zandstraalden elkaar
lang en diep. We sliepen tot het zeepeil
van oude wanen. We herhaalden ons.

Vandaag breken we lage golven
en tellen scheermessen op het strand.
Meeuwen schreeuwen in veelvoud.

We zitten naast elkaar, scherm delen
klinkt onnodig intiem, we nemen op
de korrel. Het verzanden is begonnen.’

Monica Boschman gebruikt vaak woorden die nog niet bestaan, zoals ‘Breekhuid’. ‘Bladeren zuigen het brein uit onze benen. / We willen niet vertragen, kunnen niet // verdragen dat we niets te vertellen / en te weerleggen hebben. // We schuiven nadagen / voor ons uit.’

Monica heeft me verrast. Zij is een interessante dichter, die meer aandacht verdient.

Monica Boschman, ‘Zeerslag’, uitg. U2pi, Den Haag, 2018.
69 bladzijden

maandag 12 maart 2018

L.F.Rosen, Spiegelalbum

Gevaarlijke spiegels

In alle gedichten in Spiegelalbum  van L.F.Rosen komt een spiegeling voor, vaak letterlijk in de badkamer of bij het water, soms in het gezicht van de vader. Niet verwonderlijk in een bundel met die titel? Toch wel. De bundel telt 83 bladzijden, meer dan 50 gedichten, waarbij sommige gedichten bestaan uit meerdere genummerde delen. Dan moet je als dichter toch behoorlijk bezeten zijn van spiegels, spiegelbeelden.

Het begint eenvoudig met wakker worden, de gang naar de wastafel en het scheren, maar dan blijkt het kijken naar het eigen beeld toch tamelijk verontrustend. Dat blijkt ook uit de klank en de woordkeus.

‘Op de oogvliesgrens schampen
zij elkaar: het zachte en het gekartelde,
het weke en het wakkere, het krullerige
kind met zijn innerlijk van vlokkerig
kussenvulsel, en de man wiens blik
als een staalborstel langs onze dun-
wandige lichaamsdelen gaat. Ooit vage,
dakloze droomgedaanten die in doorwaakte
nachten elkaar op afstand bekeken,
maar in de spiegel handen en voeten
krijgen, en gedachten waarmee
zij elkaar maken en breken.’

Lees het gedicht hardop en hoor hoe Rosen met de k speelt.


Het spiegelbeeld is gevaarlijk en actief: het ‘zit ons op de hielen’ ‘Als een bliksem speurend / naar de van eenzaamheid / doorweekte man in het open / veld’.
De bliksem wordt hier gepersonifieerd net als de spiegel.
De spiegels weten veel. Ze kennen de angst van de jongen in de man voor het vroegere trefbal, dat gevaarlijke spel met die harde bal, waarbij je voortdurend op je hoede moest zijn.

Narcissus wordt opgenomen in zijn spiegelbeeld. De spiegel kan duivels zijn. Spiegels hebben te maken met verbeelding en bewustzijn. Het kan lijken dat de spiegel beelden absorbeert; hij kan ook beelden uit verleden of toekomst presenteren. In de spiegel kan een ongenode gast zichtbaar worden. Men kan angst voor spiegels hebben. Een gedicht in de afdeling ‘Mannelijke spiegelbeelden’ heeft als titel ‘Catoptrofobie’. Het spiegelbeeld is gevaarlijk als Dr. Hannibal Lecter uit de film The silence of the lambs.
De ik van de bundel verdwijnt achter het spiegelglas en loopt daar door een nauw gangenstelsel en heeft ademtekort, wat doet denken aan Achterbergs ‘Thebe’. Er is meer dat doet denken aan Achterberg: het obsessionele, een gedicht als ‘De hadale zone’, de diepzee:

‘We doorkliefden het wateroppervalk
en na een levendige overnachting op het Rif
kwamen wij aan
in de onderzeese woningen van onze latere
jaren met hun vulkanische schoorstenen
en tektonisch
krachtenspel:
de diepzeekelders
waar de spiegels
met neergeslagen
ogen slechts fluisteren over de tijd die achter ons ligt.’

In de afdeling ‘Vrouwelijke spiegelbeelden’ is de vrouw het spiegelbeeld van de man. Er zijn mannelijke dichters die gedichten schrijven vanuit hun anima. Denk aan Marieke Jonkman (Anton Ent). De maan (♀) spiegelt de zon (♂).

‘Changement 1

Hele dagen gaan voorbij
dat hij niet meer aan mijn raam
verschijnt, dagen waarin alleen
de wind in de gordijnen
met zijn verontrustende
monologen de kamer vult.

En ik (om hem te behagen?)
maar van kleding wissel, van stem
en oogopslag en tenslotte tegen
beter weten in van geslacht.

Is de gretigheid nu uit hem weg,
de uitputting hem meer dan ik nabij -
ja, biedt de hemel en zijn afwezigheid
ook ruimte voor de vrouw in mij?’

In ‘Changement 2’ lijkt de metamorfose van de man in bad compleet; in ‘Spiegelalbumplaatjes’ komt de ik zichzelf in meisjeskleren tegen en in ‘Herkenning’ ‘strelen wij / elkaars innerlijke kantwerk.’ De onttakeling wacht: ‘Van paspop naar trekpop/ dansend in een straal urinekleurig / licht, weet ik een alziend / sluipschuttersoog op mij gericht.’

Het gevaar is hier door de kleur van het licht en het bijzondere oog treffend verwoord.

L.F.Rosen, Spiegelalbum, uitg. Liverse, Dordrecht 2017.
83 bladzijden

Nuchter over ellende Kira Wuck

Nuchter over ellende

Eurolines

We zijn onderweg naar Polen om Auschwitz te bezoeken
je moet het gewoon een keer gezien hebben

we staan naast de kapotte bus
sneeuw maakt ons aanhankelijk
kou begint altijd bij de benen
trekt dan door naar het bot
de angst om niet gevonden te worden

ooit werkte ik in een keuken waar de manager
tijdens de pauze ‘Arbeit macht frei’ riep
na mijn laatste werkdag propte ik
mijn werkkleding in de eerste beste vuilnisbak

in het wegrestaurant lijken we een gezin
dat met de jaren vergroeid is
we warmen onze tenen en wanten aan de verwarming
zonder dat onze schouders elkaar raken

Kira Wuck schrijft alsof ze berichten intypt op haar smartphone: ‘We zijn onderweg naar Polen om Auschwitz te bezoeken’ en ze voegt er een onbedaarlijk cliché aan toe.
Auschwitz als uitje, als een toeristische bestemming; zo gaat dat. Samen in een bus naar Polen. Niet duur. En ja, dan gaat de bus kapot, staan we in de kou en de sneeuw, houden we elkaar vast, niet uit liefde.
En dan gebeurt er iets geheimzinnigs: dat stomme uitje wordt een verschrikkelijke verwijzing naar het onvoorstelbare: de kou trekt door tot in het bot en er is angst verloren te raken.
In de derde strofe pakt de dichteres het nog eens stevig aan met die stomme manager. De spreuk werd destijds in opdracht van Rudolf Höss bevestigd, omdat hij zelf een aantal jaren gevangen had gezeten en toen ervoer dat het werken hem hielp door de tijd te komen. De manager in het gedicht evenaart de nazi’s in cynisme, al zal hij dat zelf ontkennen. De ik walgt van haar werk. De lezer van het gedicht moet denken aan de kleding van de gevangenen.
Ook in de laatste strofe van het gedicht moet ik denken aan het schouder aan schouder staan in de zogenaamde doucheruimte.
Kira Wuck kijkt om zich heen en verwondert zich. Zij ziet veel absurditeiten en doet daarvan op nuchtere wijze verslag. Je kunt tenen en wanten verwarmen, maar de kou om de  krankzinnige ellende blijft.

Kira Wuck, De zee heeft honger, Podium, Amsterdam 2018

Hélène Swarth MIjn Haat

Mijn Haat
Ik ben met mijn Haat door het leven gegaan

Een mantel van purper had zij aan

En onder die mantel een kleed van rouw

Als het slepend gewaad van een weduwvrouw

En een kroon van robijn op haar lokken blond

En een bittere lach om haar trotse mond

En een levende slang om haar middel heen

Als een goudgroene gordel van edelsteen

Zij droeg in de rechter een zwarte staf

Daar sloeg zij de zomerse bloemen mee af

Die lieflijk ontloken langs heg en vliet

En die zij mij nimmer nog plukken liet

Zij droeg aan haar boezem een passiebloem

Dat die bloem niet verwelkte dat was haar roem

En als ik haar smeekte om een koele dronk

Dan was 't of daar vuur in haar ogen blonk

En zij bood mij vol alsem, die nog in mij brandt

De albasten kelk van haar holle hand

Maar toen ik daar stond bij mijn lievekens graf

Daar knopte en daar bloeide haar zwarte staf

Tot hij rozen droeg als een rozelaar

Vele blanke en veel rode bij elkaar

Zij slingerde van zich de gordelslang

En tranen besproeiden haar bleke wang

Ik kuste haar handen, en hemels licht

Kwam over haar vorstelijk aangezicht.

" En zijt gij niet langer mijn trouwe Haat

O gij die uw tranen zo vloeien laat?"

Toen sprak zij: " En hebt gij dat nooit verstaan?
Gij zijt met uw Liefde door 't leven gegaan.”

Dit gedicht van Hélène Swarth gaat niet over haat, het gaat over verloren liefde. We kennen de dichteres van onder andere de bundel Rouwviolen. Haar geliefde heeft haar eerder in de steek gelaten, daarna is hij gestorven, maar haar liefde is gebleven.
Toen ik veertien jaar was, vond ik in de kast van mijn vader een bundel met gedichten van de Tachtigers, Perk, Kloos, Verwey, Gorter en ja wel Hélène Swarth. Zij was rond 1880 beroemder dan Kloos.
Mijn leraar Nederlands Wolthuis zocht leerlingen die wilden voordragen tijdens de boekenweek. Ik meldde mij met ‘Mijn haat’. Ik mocht voordragen, maar moest een ander gedicht kiezen. Dit zou ik niet begrijpen. Hij had gelijk, al trof mij de rouwmuziek en de hartstocht en waarschijnlijk ook de taal.

Het is nogal wat om te zeggen ‘Ik ben met mijn Haat door het leven gegaan’. De haat gepersonifieerd. Hoe oud was de dichteres toen ze dit schreef? Een jaar of dertig! Het gedicht heeft de overdrevenheid van de jeugd. Zij kiest de kleuren die passen bij rouw, theatraal, ‘een mantel van purper’ en ‘een kleed van rouw’; dat zal wel zwart zijn. Maar de lokken zijn blond en daarboven ‘een kroon van robijn’: bloedrood. ‘bittere lach’, ‘trotse mond’. ‘een levende slang om haar middel’: dit alles beroerde de puber heftig. Ook de woede waarmee de zomerse bloemen worden weggeslagen.
Een altijd durende ‘passiebloem’ ‘aan haar boezem’. Zij biedt ‘alsem’ aan als drank, uit een ‘albasten kelk’. Dat men aan Christus op het kruis met alsem gemengde wijn te drinken gaf, 
zoals beschreven in twee evangelies, wist zij natuurlijk. Dit was een joodse traditie om de pijn en angst te minderen. Alsem is bitter en opiumachtig.
Als de dichteres bij het graf van haar ontrouwe minnaar staat, gebeurt een wonder: de staf gaat bloeien en brengt rozen voort. De slang wordt weggeslingerd. De Haat huilt, of beter weent en de ik vraagt of zij, de Haat, haar niet langer trouw is.
De haat beschermt haar in zekere zin; zij is een schild tegen melancholie en dodelijke pijn. Maar nee: nu blijkt dat de reactie van de ik alleen maar is ingegeven door Liefde.

=

Crashen en krassen Greetje Kruidhof



Crashen en krassen

De gedichten van Greetje Kruidhof in Wisselplaats  geven samen het verhaal van een meisje dat geboren is in Papoea (Indonesië) en met haar vader, een zendeling, en het overige gezin naar Nederland ging.

‘Je vader fluistert woorden.
Met voorzichtige vleugels proberen ze de lucht
groeperen zich in nieuwe patronen:

een vlucht krassende vogels
die vertelt van de kuil met de hond en het kind.
Dat hij te groot was om bij hen te komen.

Over paraplu’s tegen de zon, bang zijn
voor pijl en boog en varkens in de regentijd.

Dat hij van een laken een doek knoopte
het zieke kind wekenlang droeg, de angst
mee-at aan tafel en liefde in hitte verdampte.

Dat hij zijn lijf zocht in het vliegtuig terug
zijn oren verlangend naar mannen die zongen-
hij hoest. Zijn zinnen crashen op de ochtendkrant.’

Uit de laatste zin van het gedicht is op te maken dat het nu van het gedicht zich afspeelt in Nederland. De vader is terug en wellicht ziek: hij hoest staat er nadrukkelijk na ‘-zongen’. De vader fluistert over de belevenissen in Papoea. Zijn stem is niet meer krachtig, blijkt uit de tweede regel.
De je van het gedicht - een verscholen ik - ziet als het ware hoe de woorden zich in nieuwe patronen groeperen en komt dan met de vergelijking: ‘een vlucht krassende vogels’, die wijst op onheil. De ‘vlucht’ vertelt over een enge gebeurtenis. De vader kon niet bij dat opgesloten kind komen. Misschien was hij letterlijk ook te groot om bij zijn dopelingen te komen.
Er wordt verder verteld over de felle zon en over de angst die de omgeving oproept.
Welk kind wordt gedragen? Het kind uit de kuil of een kind uit het gezin? De situatie daar is niet zo dat een kind even naar een ziekenhuis kan worden gebracht. Je kunt het evenmin alleen laten. De angst was groot en was ook aanwezig aan tafel. De liefde leed onder de omstandigheden. Ze moesten terug en de vader moest zijn eigen lichaam weer terugvinden. Hij verlangde naar de gezangen van medegelovigen.
‘Crashen’ herinnert aan ‘krassen’. Zijn woorden botsen met slechte afloop op het actuele nieuws. De angst betreft vader en kind.

Greetje Kruidhof, Wisselplaats, uitg. Manuzio, Kampen 2017. 63 bladzijden

Kira Wuck, De zee heeft honger

Bittere humor

‘Er is geen levensdoel, we horen nergens thuis en we gaan allemaal dood. Kom, laten we tv gaan kijken’, dat zeggen Rick en Morty.  Kira Wuck opent er haar bundel De zee heeft honger mee.
Vier afdelingen telt de bundel: ‘We nemen ons voor te vertrekken’ met 9 gedichten, ‘Levens die door andere zijn achtergelaten’ met 7 gedichten, ‘Het verlangen om aangelijnd te worden’ met 4 gedichten en ‘Nachtdieren’ met 6 gedichten.

Ja, als er geen levensdoel is, wil je wel worden aangelijnd. Dan kan iemand je ergens naar toe trekken. Het gedicht met die regel gaat over dat verlangen. We zijn als honden in een kooi van zinloosheid. Zou er geen baasje zijn om ons ergens naar toe te brengen? De vrouwen van de zonnebank wekken medelijden. Wat moeten ze met hun leven? Sommige kinderen hebben een moeder die op hen wacht. (Kira had zo’n moeder niet. Dat weten we inmiddels uit alle interviews en berichten.) De ik zat in een kooi van eenzaamheid en onbestemdheid.

‘Vroeger ging ik vaak naar het asiel
geblaf scheen als lichtstralen door de tralies
het verlangen om aangelijnd te worden

nog somberder werd ik
van vrouwen die zorgeloos van de zonnebank kwamen
onder hun huid het breken nabij
een weeïg gevoel van schaamte welde op

ook keek ik toe hoe moeders die niet de mijne waren
op hun dochters wachtten
Laika die de ruimte in werd gestuurd en niet meer terugkwam’

Vreemde vergelijkingen heeft deze dichteres: geblaf als lichtstralen. Wat is de verzwegen grond van de vergelijking?
In de reclamekreet: ‘Samson, een leeuw van een shag’ is dat de kracht.
Hier bij ‘de tralies’ het plotselinge, het felle?

Nog zo’n vergelijking: ‘wachten is als de zee’. Is dat het uitzichtloze, oneindige?

Kira kijkt om zich heen en verwondert zich. Zij ziet veel absurditeiten en doet daarvan op nuchtere wijze verslag. Cliché’s horen daarbij, zoals: ‘dan komt de rest vanzelf’, ‘je moet het gewoon een keer gezien hebben’, ‘ik mag niet klagen’.

‘Het hondje Laika, het eerste levende wezen dat in 1957 de ruimte in ging, is al enkele uren na de lancering om het leven gekomen, door oververhitting en stress….’
(Volkskrant)
Zijn lijk is bij terugkeer in de dampkring verbrand. Laika zat opnieuw in een kooi.

‘De zee heeft honger

Als je wilt weten waar mensen wachten
dan moet je peuken zoeken
op het strand liggen
kleine dromen als opgevouwen briefjes

wachten is als de zee
tijd komt naar ons toe
maar kan zich ook van ons keren
als een uitgestrekte droogte’

Je kunt zien hoe Kira tot een gedicht komt. Ze is aan zee en ziet peuken. Daar stonden mensen en wat deden ze daar? Kijken en wachten tot de tijd verder was. Ze stonden wat te dromen, misschien ook te verlangen naar een einde(r).
Aan zee heb je eb en vloed. Bij eb trekt de zee zich terug en zie je ‘een uitgestrekte droogte’, zoals bijvoorbeeld bij Schiermonnikoog. De zee heeft honger en wil ons opslokken, letterlijk en figuurlijk. Verderop in het gedicht gaat het over ‘kinderen zonder honger’. De dichteres zou wel terug willen gaan naar die fase in haar leven, ‘voordat alles begon te wankelen // toen wachten nog dromen betekende en / de zee geen honger had’.

De wereld is een treurige plek: Auschwitz, alcoholisten in Helsinki, controlerende camera’s, vrijen met iemand zonder dat hij door heeft wie je bent, dieren die gedood worden om bont te leveren, eenzaamheid, opium in Hanoi, een wanhopige mot die naar buiten wil, verouderende mensen die als peren krimpen, bedelaars zonder benen, slapeloosheid.

In sonnet 28 van Shakespeare kan de ik niet slapen omdat hij steeds aan de geliefde moet denken. Kira Wuck schreef in opdracht van De Standaard een reactie-gedicht, waarin de ik zegt niet te kunnen slapen  omdat ‘geesten mij niet met rust willen laten / na elke dagdroom eindig ik / verder bij jou vandaan // …/ als regen in de zee valt / dan raakt lucht de aarde’.

Kira Wuck, De zee heeft honger, Podium, Amsterdam 2018.
53 bladzijden