zondag 18 september 2016
Jan Kuijper – Aanmatigingen
Albumbladen
Sinds de Vijftigers dachten we dat metrum en eindrijm en vaste strofenbouw verdwenen waren en toen de Zestigers afscheid namen van de woeste metaforen en de hemelbestormende lyriek, maar evenmin eindrijm etc. gebruikten, dachten we: zie je wel?
Toen kwamen de Zeventigers met Komrij en Kuijper, heel verschillend, maar daar waren eindrijm etc. weer terug. Vroman had al eens gewezen op het prettige van eindrijm. Het gaf hem een soort houvast dat de inspiratie stuwde in plaats van in de weg stond. Kuijper deelde die mening. Hij schreef sonnetten en die vorm zorgde voor een zekere spanning die hij ambieerde. Bovendien bleken zijn vrije verzen volgens hem ‘volstrekt onbegrijpelijk’. Hij had de tucht van het sonnet nodig. Hij maakte overigens zeer eigenzinnige gedichten die tegelijk alledaags en hoog literair waren. Het eindrijm was keurig en toch verrassend, het metrum jambisch, zoals het hoort, maar nooit verviel hij in een dreun, wat bij anderen – sonnettenbakkers – wel gebeurde.
In zijn bundel Bijbelplaatsen vertrok hij vanuit een regel waarop hij bij lezing stuitte en die hem beviel, omdat hij raadselachtig en fascinerend was, en dan volgde een sonnet, dat op de een of andere manier te maken had met de inhoud van het bijbehorende verhaal. Zo begon hij een bekend geworden sonnet met ‘Slorpen van dat rode, dat rode daar’. In Genesis 25:30 zegt Ezau: ‘Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar’. De hitsigheid van de herhaling kreeg Jan Kuijper dus cadeau. De ik van het gedicht lijkt Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkoopt aan Jakob. Daarna gaat de dichter zijn gang en heeft het gedicht wel te maken met gulzigheid, domheid en schuldgevoel, maar vragen we ons af of het nog wel over Ezau gaat. Jan wil geen bijbelverhaaltje navertellen.
In Tomben schreef hij over dode dichters, van Hendrik van Veldeke en Jan van Brabant tot Pierre Kemp. ‘Prachtige blauwen lucht geeft ik een hand’; hier denkt de lezer: geeft? of ik? en dan eindigt het gedicht met de regels: ‘Als bliksem staakt wij donderend geraas / over de koolpikravezwarte moren.’ En de lezer denkt: staakt? wij? Bij Kuijper moet je altijd heel goed lezen.
Nu is er de bundel Aanmatigingen waarin ‘Albumbladen’ staan voor nog levende dichters uit de Queridostal, door Jan Kuijper bijeen gezet in de tijd dat hij daar lector en redacteur was. Er is één tombe bij, voor de jong gestorven Erik Menkveld. En ook hier een eerste regel van de geëerde dichter. Erik Menkveld schreef:
Met ledematen door struikgewas geschramd
lukt het bij duister onverwacht te arriveren
op een plek die altijd uithoek is gebleven:
uitsluitend in trek bij ezels en geiten,
in feite niet meer dan een stenige vlakte
met tegen beter weten in een boerderij.
Verbouwereerd beperkt de eigenaar zich
tot eenvoudige klanken en het presenteren
van een inderhaast georganiseerde sigaar.
Maar diezelfde avond nog slaagt hij erin
muzikaal te onthalen op blaasinstrumenten
en in authentieke kledij van de streek
naast een prijswinnend schaap te paraderen.
En de volgende ochtend al heeft hij een dorp
met een levendig marktplein van de grond
temidden van berghellingen vol wijnranken.
Tirade 458 ging over de herinnering aan Erik Menkveld, met als thema ‘Meester en leerling’ en zie nu wat Kuijper hiermee doet:
Een plek die altijd uithoek is gebleven
Is nu voor haar bestemd. Zij past erin:
zij is vermagerd. Dit is het begin
Van wat zich na het einde van haar leven
had moeten afspelen – zij is verdreven
uit alles wat betekenis of zin
leek te geven aan wat zij deed: een spin
uit zijn verscheurde web, een uitgeschreven,
allang door leerlingen verdrongen dichter,
die liever jong gestorven was dan in de
vergeethoek van de kast te vegeteren.
Blijft alles zwart, of wordt het langzaam lichter?
Is zij al te verdord om stof te vinden
die haar tot herfstdraden kan inspireren?
Natuurlijk, het gaat over de ontijdige dood van een spin en zelfs over dichterschap, maar toch ook een beetje over Erik Menkveld.
Bij ‘Albumblad voor Margreet Schouwenaar’ is het lastiger. In hoeverre gaat het over de dichteres?
Zegeningen en snoeimessen op zak,
zo zeg ik tegen jou: raak me niet aan –
je bent daarbij al eens te ver gegaan,
de geest is willig maar het vlees is zwak,
het vlees waar ooit een man een lans in stak,
één vlees, waarin wij allebei bestaan,
al was jij bijna dood door godsdienstwaan
en ik al helemaal. En toen ik sprak
van mensen die niet weten wat ze doen,
dacht ik aan steniging én aan het kruis,
aan straffen van Romeinen én van Joden.
Maar ik ben niet zo lijdzaam meer als toen:
Judas zal eeuwig branden, jij blijft kuis,
in deze dood zijn liefde én haat verboden.
Het gedicht van Margreet ging over Theresia van Lisieux (1873 – 1897), een heilige van de katholieke kerk, die bekend was door haar verering van Jezus. De ik van het sonnet van Kuijper moet Jezus zijn, die Theresia toespreekt. Wat me weer verbaast is de weergaloze rijmtechniek. Voor de liefhebbers nog even: er zijn albumbladen voor Eva Gerlach, Astrid Lampe, Anne Vegter, Kees ’t Hart, Rozalie Hirs, Kreek Daey Ouwens, Sasja Janssen, Anneke Brassinga en anderen.
Jan Kuijper – Aanmatigingen. Querido, Amsterdam. 38 blz. € 16,99.
Hedwig Selles – Wie hier binnentreedt
IJdel en onuitwisbaar
Wie hier binnentreedt is de titel van Hedwig Selles’ vierde bundel en de lezer zal benieuwd zijn wat hem te wachten staat.
Gelukkig is de titel van het eerste gedicht ‘Wie hier binnentreedt doet eerst een wens’. De lezer wil weten wat voor wens dat is en waarom hij die moet doen en wat het gevolg is. Laten we aannemen dat hij hier eerst over nadenkt.
Het is altijd goed om een dichtbundel nadenkend te benaderen. Wie doet een wens? De lezer zelf natuurlijk. Wat wil hij met het lezen van een bundel bereiken? Inzicht in de dichter of in zichzelf, omdat mensen nu eenmaal meer gelijk dan verschillend zijn. We hebben tenslotte allemaal een hart, longen, een maag, hormonen en vijf vingers aan elk van onze handen. We verlangen naar liefde en (meestal) niet naar de dood.
‘doe eerst een wens’: het lijkt een gebod. We mogen niet zomaar binnentreden. We moeten ons gaan verstaan met de gedichten. De lezer die uitsluitend uit is op vermaak, zal andere teksten prefereren of misschien helemaal geen tek-sten, maar beelden. Het aardige is natuurlijk dat de woorden van gedichten beelden oproepen, maar daar moet je wel oog voor hebben en misschien moet je een beetje je best doen.
Eerste regel: ‘Het is stil op de bodem van het meer.’ Uiteraard. Moet ik hier binnentreden? Onder water? Op de bodem van het meer? Tweede regel: ‘een flinterdunne slaap’. Een slaap. Gaat het om onbewuste gedachten? Droomgedachten? De slaap is flinterdun. Juist in half slaap komen onverwachte gedachten, spreekt misschien je onderbewuste.
‘ik draai / mijn gezicht naar de muur’. De ik slaapt onrustig, zoekt houvast. ‘je wilt toch iets in de buurt hebben, niet zo-maar wegzinken’. ‘naast roodwier en troosteloze poëzie’. Roodwieren vind je vooral in poeltjes in iets dieper water. Wat is troosteloze poëzie? Slechte poëzie, lollige poëzie? ‘maar ik zie mogelijkheden// voor vissen met luie onderlippen’ Roodwier is voedsel voor vissen. ‘sereen samengaan de diepe/ duisternis in ook al is/ een afscheid op den duur niet te vermijden’. ‘sereen samengaan’ lijkt vooral op mensen te slaan, op liefdesparen wellicht. Samen de duisternis in, al leidt dat op den duur tot afscheid. De duisternis is te groot of onbevredigend. Waarom? ‘gezien mijn verlangen naar schoonheid ijdel/ en onuitwisbaar is’.
De ik kan het ‘sereen samengaan’ niet langer aan. Hij of zij moet vluchten, al is het verlangen naar schoonheid ijdel, maar onuitwisbaar.
Zo is de situatie voor de ik. En de lezer? Of moet ik de titel lezen als betrekking hebbend op de ik van het gedicht? Wie hier binnen treedt, in het gedicht, is de schrijver/schrijfster van het gedicht en zij, zeg ik nu maar, realiseert zich dat het afscheid van een geliefde niet te vermijden is. Haar verlangen naar schoonheid is weliswaar ijdel, maar onuitwisbaar. Het verlangen naar schoonheid maakt een eind aan de ooit gewenste liefde.
Nog even: de lezer? Hij doet een wens het gedicht te delen, maar het kan niet: het verlangen naar schoonheid is ijdel, niettemin onuitwisbaar. De lezer probeert contact te leggen, steeds weer, en in het proberen vindt hij zijn relatie met het gedicht. Paradoxaal, maar niettemin.
In de bundel vindt hij vele gedichten over deze pogingen. Indringend, onontkoombaar, met verrassende beelden en ook zelfspot.
Hedwig Selles – Wie hier binnentreedt. Vrijdag, Antwerpen. 44 blz. € 18,50.
Max Temmerman - Arty-farty
Bij het eerste gedicht dacht ik: dat gaat goed, maar later: er staan te veel babbelgedichten in Zondag acht dagen van Max Temmerman. Bij voorbeeld het tweede gedicht van de bundel:
‘Het regende oude wijven toen ik vannacht strandde
halverwege Antwerpen en zijn brokkelige rand.’
en even verder:
‘(In het Frans
heet een vuurtoren un phare, schoon Vlaams is dat
voor de grote lichten van mijn wagen waarin onze kater
steevast pleegt op te dagen.’
en, nog in het zelfde gedicht:
‘Soms loop ik in het donker de tuin in,
tussen bomen en struiken op zoek naar wat ik had.
Soms ook koester ik in het adresboek van mijn gsm
de namen van mensen die ik niet meer ken.’
Ook het gedicht ‘Oude Belgen’ op p.43 lijkt eerder een fragment uit een column:
De fluimen die ze ophoesten sieren als schuimkragen
de grond van hun vaders. Hun hele leven hebben ze
gewerkt,
nog harken ze dagelijks hun oprit aan,
het lichtblauwe grind dat nooit ligt zoals het moet.
Veel gedichten zijn verhaaltjes of kleine columns, zonder verrassende of vreemde observaties. De metaforiek zou ze tot poëzie moeten verheffen, maar de metaforen zijn te voor de hand liggend of te bedacht of te raar.
‘wie zorgt er dan voor de beelden achter onze ogen?
We moeten blijvend over hen waken opdat zij
als vaders op ons neer kunnen kijken.’
en
‘We geven vorm hoe de vork in de steel
alvorens die zelf uit te vinden,
getand, buigzaam, los in de hand.’
In het slotgedicht ‘Danse macabre’ valt de dichter de mensen aan die aan de kant blijven staan bij een carnavalsstoet, ‘de neuzelende profeten die niet durven en lamlendig aan / het recenseren slaan’. Hij gebruikt daarbij de term ‘arty-farty’. Ja, dacht ik, dat is het: hij probeert te hard om zich te verbinden met serieuze poëzie en wordt daardoor flauw en vervelend.
Max Temmerman – Zondag acht dagen. Vrijdag, Antwerpen. 80 blz. € 15,00.
vrijdag 1 juli 2016
Peter van Lier – Laaglandse remedies
Het gedicht als geneesmiddel
De titel van Peter van Liers nieuwste bundel – Laaglandse remedies – doet denken aan die van Harry ter Balkt – Laaglandse hymnen. ‘Remedies’ zijn middelen om iets beter te maken; ‘hymnen’ zijn lofzangen. Dit duidt op een belangrijk verschil. Kon Ter Balkt nog jubelen, hoe ironisch ook, over vaderlandse gebeurtenissen, Van Lier zoekt naar zin, naar een houding in het leven. Het is wellicht daarom dat hij zich aangetrokken voelt door Vincent van Gogh:
De
typografie is kenmerkend voor de dichter en ook het
ready-made-karakter. Hier wordt geciteerd uit de brieven van Van Gogh.
Wat hij ook gemeen heeft met de schilder is de aandacht, liefde voor de
werkelijkheid en met name het kleine en onaanzienlijke. Zijn gedichten
zijn geen etherische beschouwingen – wat je misschien verwacht van een
filosoof – ze werpen een licht op de alledaagse realiteit in een poging
die op te heffen (letterlijk).
Volgens Heidegger zijn filosofie en poëzie twee bergtoppen die niet met elkaar zijn verbonden. Peter van Lier heeft gekozen voor de poëzie en hij doet dat met de verwondering van een kind, maar niet zonder volwassen kritiek. Hij zou graag de werkelijkheid als vanzelfsprekend willen ervaren, maar dat lukt niet. Als ik de gedichten hardop lees en dat moet je doen – komt er een verbaasde jongen in mijn hoofd, iemand die vragen stelt, zoals filosofen horen te doen. Genezende vragen.
Peter van Lier – Laaglandse remedies. Wereldbibliotheek, Amsterdam. 64 blz. € 19,99.
De titel van Peter van Liers nieuwste bundel – Laaglandse remedies – doet denken aan die van Harry ter Balkt – Laaglandse hymnen. ‘Remedies’ zijn middelen om iets beter te maken; ‘hymnen’ zijn lofzangen. Dit duidt op een belangrijk verschil. Kon Ter Balkt nog jubelen, hoe ironisch ook, over vaderlandse gebeurtenissen, Van Lier zoekt naar zin, naar een houding in het leven. Het is wellicht daarom dat hij zich aangetrokken voelt door Vincent van Gogh:
ETTEN
maakt mij zo blij dat ik enige tijd rustig hier kan
werken; als het niet regent ga ik
elke dag
naar buiten:
naast hut, schuur, molen en smidse heb ik
tot vijfmaal toe een boer met schop, tweemaal een zaaier,
tweemaal
een meisje met bezem. Verder (…)
Volgens Heidegger zijn filosofie en poëzie twee bergtoppen die niet met elkaar zijn verbonden. Peter van Lier heeft gekozen voor de poëzie en hij doet dat met de verwondering van een kind, maar niet zonder volwassen kritiek. Hij zou graag de werkelijkheid als vanzelfsprekend willen ervaren, maar dat lukt niet. Als ik de gedichten hardop lees en dat moet je doen – komt er een verbaasde jongen in mijn hoofd, iemand die vragen stelt, zoals filosofen horen te doen. Genezende vragen.
TJILPENDe afdeling ‘Laaglandse remedies’ bestaat uit gedichten die eerder in een bibliofiele uitgave verschenen met foto’s van Bob Negryn. Het gaat om foto’s die te maken hebben met de Noordoostpolder.
als exclusief
voorrecht?
Laat de andere vogels maar fluiten, kelen kaal, maar juist
de mus in zijn gewone doen maakt de buurt (is bekend).
Het gedrag van
cultuurvolgers,
van paren vlak
voor de deur tot het snaaien van nestmateriaal en voedsel
binnen
-liefst onder de kat vandaan -, missen we,
volgens de laatste gegevens,
merkbaar.
=
Het lijkt inmiddels weer goed gekomen met de mussenstand, in elk geval stikt het in mijn tuin van de mussen.
‘Iets met de polder doen’,Op de foto zit een grote man in een klein tuinhuisje. Hij lijkt te worden samengedrukt, in de linkerhand een schoteltje, in de rechter een kopje, waarschijnlijk thee. Geneeskrachtige thee?
makkelijk gezegd.
Maar wat aan te vangen met een groot, kaal,
winderig gebied zonder geschiedenis?
Dat je daar met zijn
allen
op de zeebodem zit, schept een band – de remedie
is een stad te ontwerpen
kleinbehuisd. (…)
Peter van Lier – Laaglandse remedies. Wereldbibliotheek, Amsterdam. 64 blz. € 19,99.
Maarten Goethals – Hees
Hees van woede
Maarten Goethals is teleurgesteld vanwege de geringe en armelijke aandacht die poëzie krijgt. Hij schreef een requiem voor de poëzie. Wereldgedichtendag? Valse viering! We weten het: bundels verkopen niet; de dichtkunst lijkt verdwenen uit het maatschappelijk leven. Het lijkt anders, denkend aan de landsdichters, stadsdichters, dorpsdichters, jeugddichters van A tot en met Z, maar dat is schijn.
Wie leest er nog poëzie? Ach, het is niet nieuw. Misschien van alle tijden. ‘Van dichten comt mi cleine bate’. Dichters behoren tot een sekte, met een kleine, soms fanatieke aanhang. Goethals is zo bitter omdat hij, waarschijnlijk vol goede moed, zijn bundel componeerde en liet uitgeven in 2014. Nu, maart 2016, schreef hij zijn requiem, dat eindigt met de afkondiging van het einde van de poëzie. Dood aan de poëzie!
Goethals moet niet zeuren. Er zijn nog steeds dichters en die blijven komen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Steeds nieuwe dichters, omdat het moet, omdat ze de noodzaak voelen te schrijven en te publiceren. Sommigen zullen populair worden (zoals nu bij voorbeeld Marieke Rijneveld, vierde druk voor haar bundel Kalfsvlies; altijd enkelingen), sommigen zullen teleurgesteld afhaken. Dat zijn niet de echte dichters. Zij wilden opvallen en toen lukte het niet, omdat hun balletje niet in het juiste gaatje viel van de roulette, die de publieke aandacht is. Dat hoeft niet te betekenen dat ze geen kwaliteit hebben. Ik ken goede dichters die niet gelezen worden.
Hoe zal het Goethals vergaan? Ik vermoed dat hij niet gelezen zal worden, maar dat betekent niet dat hij geen kwaliteit heeft. Goethals schrijft uitgepuurde gedichten, ritmisch, klankrijk, vol betekenis. Hij ziet kans grote emotie, bij de dood van een vriendin door een auto-ongeluk in Egypte, neer te zetten in gebeitelde taal.
Hij mag van mij de overdaad aan alliteraties schrappen, maar verder vind ik de gedichten krachtig en indringend.
Maarten Goethals – Hees. Vrijdag, Antwerpen. € 16,50.
Maarten Goethals is teleurgesteld vanwege de geringe en armelijke aandacht die poëzie krijgt. Hij schreef een requiem voor de poëzie. Wereldgedichtendag? Valse viering! We weten het: bundels verkopen niet; de dichtkunst lijkt verdwenen uit het maatschappelijk leven. Het lijkt anders, denkend aan de landsdichters, stadsdichters, dorpsdichters, jeugddichters van A tot en met Z, maar dat is schijn.
Wie leest er nog poëzie? Ach, het is niet nieuw. Misschien van alle tijden. ‘Van dichten comt mi cleine bate’. Dichters behoren tot een sekte, met een kleine, soms fanatieke aanhang. Goethals is zo bitter omdat hij, waarschijnlijk vol goede moed, zijn bundel componeerde en liet uitgeven in 2014. Nu, maart 2016, schreef hij zijn requiem, dat eindigt met de afkondiging van het einde van de poëzie. Dood aan de poëzie!
Goethals moet niet zeuren. Er zijn nog steeds dichters en die blijven komen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Steeds nieuwe dichters, omdat het moet, omdat ze de noodzaak voelen te schrijven en te publiceren. Sommigen zullen populair worden (zoals nu bij voorbeeld Marieke Rijneveld, vierde druk voor haar bundel Kalfsvlies; altijd enkelingen), sommigen zullen teleurgesteld afhaken. Dat zijn niet de echte dichters. Zij wilden opvallen en toen lukte het niet, omdat hun balletje niet in het juiste gaatje viel van de roulette, die de publieke aandacht is. Dat hoeft niet te betekenen dat ze geen kwaliteit hebben. Ik ken goede dichters die niet gelezen worden.
Hoe zal het Goethals vergaan? Ik vermoed dat hij niet gelezen zal worden, maar dat betekent niet dat hij geen kwaliteit heeft. Goethals schrijft uitgepuurde gedichten, ritmisch, klankrijk, vol betekenis. Hij ziet kans grote emotie, bij de dood van een vriendin door een auto-ongeluk in Egypte, neer te zetten in gebeitelde taal.
StervenHet woord ‘dialect’ verwijst geraffineerd naar de eerste strofe van dit gedicht, ‘De meerkoet’:
blijft een oud zeer, een duivels dialect: zonder regels
zonder stoet of stad.
Je nam al langer afscheid.In het derde deel van een veelluik schrijft hij over ‘Ik-‘:
Laatst nog van jezelf
in de hallen van onze moedertaal.
Hees. Verbannen, opgehangen.Hees van woede.
Mijn vel versteend, mijn lijf: uitgehouwen
als toga en pak.
Aan mijn voeten
verglijdt het lood uit het leven, een drassige nacht
van glas. De aarde bonkt, bloedt – en ik, amper weerstand
(en wiegend)
waad in mijn arme woede.
Hij mag van mij de overdaad aan alliteraties schrappen, maar verder vind ik de gedichten krachtig en indringend.
Maarten Goethals – Hees. Vrijdag, Antwerpen. € 16,50.
Pom Wolff – Een vrouw schrijft een jongen
Gevoelig en precies
Uitgeverij Douane presenteert de nieuwe bundel van Pom Wolff: Een vrouw schrijft een jongen. De dichter is bekend van zijn slamprijzen, maar in deze bundel staat een ander soort gedichten. De ‘bundel’ bestaat uit vier dunne boekjes. Het laatste boekje, nou ja, boekje: drie blaadjes met twee nietjes, maar wel keurig, heet ‘genade’ en het voorlaatste gedicht gaat zo:
De korte gedichten doen denken aan die van Reve, maar Wolff is interessanter door zijn grammaticale afwijkingen. Reve was shockerend en Reve was om te lachen en je te ergeren aan zijn fascistoïde opvattingen en om je te ontroeren met zijn verlangen naar verlossing.
Wolff laat andere botsingen zien. In ‘genade’ gaat het over een buurvrouw die tippelt en opmerkt dat ‘ze laag vliegen’. Dat betekent dat de auto’s hard voorbij rijden, zonder dat de chauffeurs naar haar kijken dus. Maar het gedichtje begint met een dc negen van de KLM. De ik van het gedicht herhaalt de opmerking over de snelle auto’s en ‘ik kijk en zie haar schaamlippen bewegen’. Doet ze dat om te lokken?
De
volgende maandag staat ze er nog. De ik is vertrouwelijk met haar en
zij vertelt over een volvo met vijf honden. En dan nog de chauffeur. De
ramen van de auto zullen wel beslaan. Geen pottenkijkers dus. Er gebeurt
van alles. Op maandagavond heeft ze het over wurgseks en ‘je moet toch
wat’. De ik zegt dat hij een luchtje gaat scheppen. Zonder dichtgeknepen
keel. Hij heeft op dinsdagavond met haar te doen: ‘je lijkt op een
machine’. Dat geeft ze toe en weer ziet hij haar schaamlippen bewegen.
Op woensdagavond is er geen voetbal op tv. Hoe zijn tijd door te
brengen? Hij zegt dat de hond dood is en dat hij zo wordt opgehaald en
of ze ook koffie wil. Op woensdagnacht gaat ze weer aan het werk. Het is
druk in de straat. Op donderdag heeft ze een vreemde klant. Hij leek
een parelmoernicht, maar dat pakte kennenlijk anders uit. De dichter
zoekt op: parelmoer en vindt hexagonale aragonietplaatjes. Ik laat
Google zoeken en kom bij een filmpje waar Pom de gedichten voorleest.
Het valt me op dat hij zinnetjes heeft geschrapt en regels heeft
omgegooid. Hij is een gevoelig, verantwoordelijk vakman.
Vrijdagochtend is het bijna weekend en ’s middags komt er onweer. De buurvrouw heeft ‘witte vloed ook dat nog’. Het valt allemaal niet mee. De ik lijdt mee; hij had/heeft een schimmelvoet. We zijn aan de genade overgeleverd. Het laatste gedicht verrast door de titel ‘lindehoning aan de overtoom’.
Pom Wolff is een precieze dichter: hij wil alleen die woorden over houden die er echt toe doen. Hij schrijft omdat hij moet schrijven, de poëzie vreet hem uit. Hij schrijft met geraffineerde herhalingen, die als je goed kijkt verschillende dingen betekenen, als je de klemtoon verschuift:
Pom Wolff – Een vrouw schrijft een jongen. Douane, Rotterdam. 48 blz. € 15.
Uitgeverij Douane presenteert de nieuwe bundel van Pom Wolff: Een vrouw schrijft een jongen. De dichter is bekend van zijn slamprijzen, maar in deze bundel staat een ander soort gedichten. De ‘bundel’ bestaat uit vier dunne boekjes. Het laatste boekje, nou ja, boekje: drie blaadjes met twee nietjes, maar wel keurig, heet ‘genade’ en het voorlaatste gedicht gaat zo:
reve had gelijkDe wielercours gent – wevelgem is berucht door de heuvels bij Kortrijk en natuurlijk de Kemmelberg.
we lijden mee
we vroegen er niet om
niet om een schimmelvoet
en ook niet om reclame
vandaag gent – wevelgem weer
en nooit eens andersom
de kemmelberg op
reve had gelijk
het is allemaal genade
De korte gedichten doen denken aan die van Reve, maar Wolff is interessanter door zijn grammaticale afwijkingen. Reve was shockerend en Reve was om te lachen en je te ergeren aan zijn fascistoïde opvattingen en om je te ontroeren met zijn verlangen naar verlossing.
Wolff laat andere botsingen zien. In ‘genade’ gaat het over een buurvrouw die tippelt en opmerkt dat ‘ze laag vliegen’. Dat betekent dat de auto’s hard voorbij rijden, zonder dat de chauffeurs naar haar kijken dus. Maar het gedichtje begint met een dc negen van de KLM. De ik van het gedicht herhaalt de opmerking over de snelle auto’s en ‘ik kijk en zie haar schaamlippen bewegen’. Doet ze dat om te lokken?
Vrijdagochtend is het bijna weekend en ’s middags komt er onweer. De buurvrouw heeft ‘witte vloed ook dat nog’. Het valt allemaal niet mee. De ik lijdt mee; hij had/heeft een schimmelvoet. We zijn aan de genade overgeleverd. Het laatste gedicht verrast door de titel ‘lindehoning aan de overtoom’.
ik kan niet leven in een zomerwindVergelijk dat nu eens met het kinderliedje:
die huist in wikkelrokken
de meisjes fladderend aan de overtoom
mager bolstaand van verlangen
ik zie een jongen zestien jaren strelen
zijn moeder zong van melk met zoete room
de wind kan nog zo luchtig doen
vandaag als kinderen liedjes zingen
drink ik blauwe bloesemthee
te leeg voor lui
te moe om loom te zijn
verblijf ik, in eeuwige herinnering
hoogachtend
Schuitje varen, theetje drinken,Veel kinderliedjes hebben een volwassen, scabreuze achtergrond. Hoe dan ook: er zitten veel escortbureaus op de Overtoom. De hoeren zitten daar in een goedkoop hotel dan ook aan het ontbijt. Tot 11 uur mogen ze bezoek ontvangen op de kamer.
Varen we naar de Overtoom.
Drinken er zoete melk met room.
Zoete melk met brokken,
Kindje mag niet jokken.
Pom Wolff is een precieze dichter: hij wil alleen die woorden over houden die er echt toe doen. Hij schrijft omdat hij moet schrijven, de poëzie vreet hem uit. Hij schrijft met geraffineerde herhalingen, die als je goed kijkt verschillende dingen betekenen, als je de klemtoon verschuift:
dat ik weet dat je er wasRemco Ekkers
dat het toen niet meer kon zijn
en dat het toen niet meer kon zijn
Pom Wolff – Een vrouw schrijft een jongen. Douane, Rotterdam. 48 blz. € 15.
Peter Drehmanns – Grafleggingen
Peter Drehmanns schreef een vierde dichtbundel Grafleggingen. De verwijzing naar de graflegging van Jezus doet nogal geforceerd aan. Misschien dat de tekening op het voorplat van Robbie Cornelissen de gedichten meer recht doet: de executiekamer, waarbij de balk dwars op het bed doet denken aan een martelwerktuig. Het eerste gedicht spreekt van doorligwonden en ‘de volgende afgebroken nagel’. ‘Depositie (Immanuel)’ heet het gedicht, dat is neerslag van verontreinigende stoffen; God met ons.
Geen opgewekt beeld en het gedicht lijkt dan ook meer een Icarische val:
door de wolken uit de hemelHet lijkt te gaan over een actueel probleem: een uitgebuite en wanhopige asielzoeker.
gesmeten een brok halfmens
gespeend van schouderscharnieren
en andere valapparatuur
gesaneerd en ontzenuwd
wordt-ie weggegeven
serafijn zonder uitzettingspapieren
de stuipen op het lijf
gejaagd dwarrelt hij
in handen van vetvrije makelij
en wordt geluierd
en wordt leeggeschonken, meegetrokken
tot de volgende doorligwond
tot de volgende afgebroken nagel
Daarna het gedicht voor een eenzame dode, die uiteindelijk toch nog een nabestaande bleek te hebben, maar toen had Drehmanns zijn gedicht al geschreven; een perfect empathisch gedicht voor een onbekende. Hij heette meneer A.A. de Bruijn. Francesco Nirta werd jaren lang gezocht wegens moord, drugshandel en wapenbezit. Het gedicht beschrijft zijn treurige verborgenheid en zijn af en toe naar buiten komen om een pond lendenbiefstuk te halen, zijn verborgen handel.
De vader die zijn twee zonen vermoordde en wegborg in rioolpijpen krijgt een gedicht dat ‘GRAFLEGGING MODERN’ heet. De Utrechtse serieverkrachter figureert in slijm afstaan. Ik vraag me af of een eenvoudig krantenbericht eenzelfde emotionele impact heeft. Dat gaat bijvoorbeeld zo: ‘Francis Garcia-Hofland, 22 jaar, ernstig verslaafd, soms tippelend om aan geld te komen. Ze sterft op 19 juni 1991. Haar lijk wordt badend in haar eigen bloed aangetroffen langs de Westzeedijk. De dader heeft haar bijna onthoofd. Haar onderlijf is ontbloot, haar groengrijze leren broek is weg.’
Elliot Smith, die misschien door eigen steekwonden om het leven kwam, wordt herdacht in ‘NO HESITATION WOUNDS’.
naai de doodIn het gedicht ‘Transubstantiatie’ laat de priester het woord vlees worden, maar de dichter laat vlees woorden worden, die hij neerschrijft op papier.
een stoplap op zijn kont
sla de tijd
stuk tussen je handen
tart het vierkant
boven de kloof van de klankkast
betast het zwart
wakker de wond aan
trap in het laatste uur
trap op z’n hardst
op het hart de parelkwal de kokhals
en steek door je kleren heen
Het laatste gedicht uit de bundel is een poëtica:
eerst maar eens mijn kwabben uitkammenIn de vierde (laatste) strofe van dat gedicht wordt uitgebreid stilgestaan
kijken of er nog woorden
verborgen zitten tussen de denkresten
in de gletsjerspleet tussen de hersenhelften
‘bij je tong die om dwingende redenenDit is verstaanbare poëzie, terwijl de dichter toch heel anders schrijft dan de verslaggever in een krant. De dichter weet dat de koffers van de maharadja’s ‘zijn gevuld met smart en andere / woorden van oude marsepein’.
een klapband heeft gekregen
en flarden stamelt over het nut
van verstaanbare poëzie’
Peter Drehmanns – Grafleggingen, met tekeningen van Robbie Cornelissen. Marmer, Baarn. 87 blz.€ 15.
Abonneren op:
Posts (Atom)