TAAL
als een tweede, even noodzakelijke
en immer gonzende atmosfeer
ligt ze om de hele wereld heen
ook als we niet praten of schrijven
borrelt ze onafgebroken uit ons op:
alle lucht die we inademen lijkt wel
als taal weer naar buiten te stromen
geen enkele gedachte bestaat zonder haar
en niet de mens was het die haar maakte
zij heeft in haar eentje de mens gemaakt
tot dit reddeloos aan de dood denkend dier
dat zich steeds bewust van het uiteindelijk
zinloze toch maar blijft proberen om hiervoor
nog wat woorden te vinden omdat zelfs even
bestaan beter is dan eeuwig niet bestaan
Dat is belangrijk: we leven en hoewel we verdwijnen - ja, uiteindelijk met zijn allen - we leven nu.
Zelfs even bestaan is beter dan eeuwig niet bestaan.
Ik herinner me een jeugdboek van een Australische schrijfster, maar ik kan haar naam en de titel van het boek niet achterhalen, waarin een broer en een zus heksen kunnen herkennen en als die kwaad in de zin hebben, onschadelijk kunnen maken. Ze ontdekken een soort vampier die leeft van de energie van zijn slachtoffers en die hartstochtelijk graag wil leven, een echt lichaam hebben, ook al is het sterfelijk. ‘O’, zegt hij ‘ik zou er alles voor over hebben een sterfelijk lichaam te bezitten.’
Marc Tritsmans beschouwt taal als een ‘immer gonzende atmosfeer’ om de wereld. Is de taal een los van mensen bestaande entiteit of ontstaat zij door mensen? Waar komt de taal vandaan? De dichter zegt dat het niet de mens was die de taal maakte, maar dat de taal mensen heeft gemaakt. Ik lees dat als: de taal heeft ons tot mensen gemaakt. We kunnen geen gedachten hebben zonder taal. Een andere vraag is of betekenis bestaat zonder taal. Wij kunnen denken in beelden. Misschien ook in gevoelens. Dieren kunnen, veronderstellen we, denken in beelden, niet in taal, dat wil zeggen niet in woorden en zinnen. Wij kunnen denken aan de dood. Wij zijn ons, aldus de dichter, bewust van het zinloze van het geheel. Kun je dichten zonder geloof dat wij deel uitmaken van een voor ons onbegrijpelijke ontwikkeling, een ‘zich ontvouwend bewustzijn’?
Cees Nooteboom schreef over ‘eskaders gedichten zijn op zoek naar hun dichters.
Ze dwalen zonder commando door het grote district
van de woorden
en verwachten het aas van hun volmaakte,
gesloten, gedichte, gemaakte,
en onaantastbare vorm.’
De gedichten zoeken hun dichters. Ze bestaan niet buiten de taal; ze zweven niet rond, maar zijn als het ware verscholen in de taal, die volgens Tritsmans ‘als een tweede, even noodzakelijke / en immer gonzende atmosfeer / (…) om de hele wereld heen’ (liggen).
Marc Tritsmans, ‘Het zingen van de wereld’, Nieuw Amsterdam 2017
maandag 12 maart 2018
Laurens Ham, Mijn grote schuld
Schuld en woede
‘Mijn grote schuld’ klinkt beter dan ‘Onze grote schuld’, maar de schuld is collectief. We putten de aarde uit, laten veel leven uitsterven, maken elkaar af etc. In hoeverre is de dichter persoonlijk schuldig? Is deel uitmaken van de Europese of Nederlandse samenleving al genoeg om je schuldig te voelen?
In elk geval gaat het in de gedichten om rijken die zich misdragen op rondvaartboten of op safari. Laurens Ham, literatuurwetenschapper, vindt er vileine en verrassende beelden voor.
‘mijn grote schuld prevelt slikt repeteert
het tv5-frans het bbc-engels
en het spaans van de werkster uit venezuele
hij moet haar smeken peperen
tot ze aandrift krijgt
en de voelsprieten van haar verweer
uitharden tot een gewei
dat vies vertrouwde plaatje’
en
‘de burger is een mondiale
nationalist geworden
en zijn strot
vuurt zijn bevelen
zet de zaag een tandje hoger
aan de stam’
Het doet pijn in de gedichten: ‘scherven in de mond’ vinden we niet alleen in de eerste afdeling die de titel van de bundel draagt. In EUR vinden we ‘Glas eten, naalden: iedereen moet bloedend / worden opgenomen.’ Er is veel pijnlijk geweld: mitrailleervuur, jagende en dodende honden, brekende wil, koevoeten, tank over lijven, door dieren bepikt, doorboorde tong, afgehouwen hoofd. Deze reeks lijkt te gaan over nationalistische politici en hun droombeeld van gezag en orde over een machteloze massa.
In WEE is gebruik gemaakt van een brief uit 1672, het rampjaar, die door Engels kapers op een Nederlands schip werd buitgemaakt. Zinnen uit de brief van een godvruchtige vrouw aan haar man, van een bedrogen vrouw, van een broer onder andere staan onder aan de pagina. Maar de gebeurtenissen in de reeks zijn van een eeuw eerder en gaan over de overwintering onder leiding van Barentsz. Ook hier scherven en glas en natuurlijk ijsschotsen, ‘de ijsbreker die een kaarsrechte spiegelbaan splintert’.
In 2014 resideerde Charlotte Peys, beeldend kunstenaar, die ook het treffende omslag van deze bundel verzorgde, op vraag van deBuren en KAAP samen met Laurens Ham kortstondig in Oostende. Aan zee ontstond een gedicht dat nu te lezen valt in 'Mijn grote schuld’: ‘De legenden worden herschreven’. Ik neem aan dat Laurens daar in Oostende, wandelende en pratende met Charlotte allerlei beelden heeft gezien. Charlotte maakte maskers. Bij een ruiterstandbeeld, vermoed ik, schrijft hij een boos gedicht:
‘daarboven zijn de heren hoog
strak uitgelicht
niets om naar te streven
je zou stikken in hun kussens
de heren hoog en speels
op hun plastieken bulldogs
bestrijken de flanken
met een rietje’
Jef Koons zou er een hatelijk beeld van kunnen maken.
Het geheel maakt een gezochte indruk. De dichter heeft zich willen houden aan de opdracht, maar de innerlijke noodzaak ontbrak. Wel vinden we zijn idioom terug, natuurlijk, een toneel wordt doorboord, de negentiende eeuw aangevreten, ineengestuikte maskers, aan flarden gezaagd doek, doorpriemende wandelstokken, congo, James Ensor.
In ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ lijkt de dichter zich te identificeren met tuig: ‘ik gemotoriseerde yup / spuw mijn gal niet langer / bal mijn vlotte babbel / samen onder de bagagedrager’. Hij gaat ver: ‘mijn zonde bestaat in het erkennen / van schuld / waar die zo leeg is / als een slappe portemonnee’. De schuld is leeg. Het erkennen van schuld lijkt ijdel en dat is juist de zonde. Wat doen we er aan? Moeten we misschien artificiële intelligentie en robotica onze milieu-ellende laten oplossen? Zijn wij mensen niet meer in staat om de problemen op te lossen omdat we het gezellig willen houden?
De laatste afdeling heet ‘Utopië’. De Utopie ligt achter ons. Laurens Ham schetst of beter etst een dystopie, waaruit we misschien alleen gered kunnen worden door ons in een luchtschip te laten verplaatsen naar een andere wereld.
Laurens Ham, Mijn grote schuld, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017
61 bladzijden
‘Mijn grote schuld’ klinkt beter dan ‘Onze grote schuld’, maar de schuld is collectief. We putten de aarde uit, laten veel leven uitsterven, maken elkaar af etc. In hoeverre is de dichter persoonlijk schuldig? Is deel uitmaken van de Europese of Nederlandse samenleving al genoeg om je schuldig te voelen?
In elk geval gaat het in de gedichten om rijken die zich misdragen op rondvaartboten of op safari. Laurens Ham, literatuurwetenschapper, vindt er vileine en verrassende beelden voor.
‘mijn grote schuld prevelt slikt repeteert
het tv5-frans het bbc-engels
en het spaans van de werkster uit venezuele
hij moet haar smeken peperen
tot ze aandrift krijgt
en de voelsprieten van haar verweer
uitharden tot een gewei
dat vies vertrouwde plaatje’
en
‘de burger is een mondiale
nationalist geworden
en zijn strot
vuurt zijn bevelen
zet de zaag een tandje hoger
aan de stam’
Het doet pijn in de gedichten: ‘scherven in de mond’ vinden we niet alleen in de eerste afdeling die de titel van de bundel draagt. In EUR vinden we ‘Glas eten, naalden: iedereen moet bloedend / worden opgenomen.’ Er is veel pijnlijk geweld: mitrailleervuur, jagende en dodende honden, brekende wil, koevoeten, tank over lijven, door dieren bepikt, doorboorde tong, afgehouwen hoofd. Deze reeks lijkt te gaan over nationalistische politici en hun droombeeld van gezag en orde over een machteloze massa.
In WEE is gebruik gemaakt van een brief uit 1672, het rampjaar, die door Engels kapers op een Nederlands schip werd buitgemaakt. Zinnen uit de brief van een godvruchtige vrouw aan haar man, van een bedrogen vrouw, van een broer onder andere staan onder aan de pagina. Maar de gebeurtenissen in de reeks zijn van een eeuw eerder en gaan over de overwintering onder leiding van Barentsz. Ook hier scherven en glas en natuurlijk ijsschotsen, ‘de ijsbreker die een kaarsrechte spiegelbaan splintert’.
In 2014 resideerde Charlotte Peys, beeldend kunstenaar, die ook het treffende omslag van deze bundel verzorgde, op vraag van deBuren en KAAP samen met Laurens Ham kortstondig in Oostende. Aan zee ontstond een gedicht dat nu te lezen valt in 'Mijn grote schuld’: ‘De legenden worden herschreven’. Ik neem aan dat Laurens daar in Oostende, wandelende en pratende met Charlotte allerlei beelden heeft gezien. Charlotte maakte maskers. Bij een ruiterstandbeeld, vermoed ik, schrijft hij een boos gedicht:
‘daarboven zijn de heren hoog
strak uitgelicht
niets om naar te streven
je zou stikken in hun kussens
de heren hoog en speels
op hun plastieken bulldogs
bestrijken de flanken
met een rietje’
Jef Koons zou er een hatelijk beeld van kunnen maken.
Het geheel maakt een gezochte indruk. De dichter heeft zich willen houden aan de opdracht, maar de innerlijke noodzaak ontbrak. Wel vinden we zijn idioom terug, natuurlijk, een toneel wordt doorboord, de negentiende eeuw aangevreten, ineengestuikte maskers, aan flarden gezaagd doek, doorpriemende wandelstokken, congo, James Ensor.
In ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ lijkt de dichter zich te identificeren met tuig: ‘ik gemotoriseerde yup / spuw mijn gal niet langer / bal mijn vlotte babbel / samen onder de bagagedrager’. Hij gaat ver: ‘mijn zonde bestaat in het erkennen / van schuld / waar die zo leeg is / als een slappe portemonnee’. De schuld is leeg. Het erkennen van schuld lijkt ijdel en dat is juist de zonde. Wat doen we er aan? Moeten we misschien artificiële intelligentie en robotica onze milieu-ellende laten oplossen? Zijn wij mensen niet meer in staat om de problemen op te lossen omdat we het gezellig willen houden?
De laatste afdeling heet ‘Utopië’. De Utopie ligt achter ons. Laurens Ham schetst of beter etst een dystopie, waaruit we misschien alleen gered kunnen worden door ons in een luchtschip te laten verplaatsen naar een andere wereld.
Laurens Ham, Mijn grote schuld, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017
61 bladzijden
Wendela de Vos, Waar leg ik mijn hart
Stuivend zand
Als stuivend zand liggen de letters in de bundel Waar leg ik mijn hart groter en kleiner over de linkerbladzijden uitgestrooid, maar vaak ook over de pagina met een gedicht. De letters vormen samen een woord dat in het gedicht voorkomt. Ik vraag me af welk criterium de dichteres heeft gebruikt bij het kiezen van het woord.
Het eerste gedicht gaat zo:
Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed
Hier ‘stuift’ het woord ‘muilen’ voorbij. ‘Liefde baart altijd wel iets’, wat is dat nu voor slappe regel? En wat wordt gebaard? ‘kunstig geborduurde muilen een roos van hout’
Welke hand ligt boven in gebed?
Achterin de bundel staat dat de bundel is geïnspireerd door de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke bij Skagen. De Laurentiuskerk is daar sinds de 18de eeuw ondergestoven. Alleen de witte toren staat er nog als baken voor zeelieden. Onder het zand liggen de resten.
De dichteres grossiert in zelfstandig naamwoordgroepen:
‘Vuurtorens in het gras ver van de
horizon van water de koepel dof
een eierdop leeggezogen ligt
te bleken in een nest van ijzer
de trap de schacht de zware deur
verpletterd door de kracht van
korrel boven korrel schuivend weg van
banken klippen rotsen’
Het gaat om een land van vissers, maar waarom laat de dichteres zich meer leiden door gezochte alliteratie dan door precieze verwoording van een waarneming?:
‘De geur van teer en taai en turf
van vissendarmen
dunne soep de snottige vette
walm vanuit de bedkoof
haarvet slaapzweet gemorst zaad
een roetstreep langs de weg
naar boven tussen vuur en dak’
Het zand stuift en schuift, zoekt naar houvast ‘aan een kiezel een schelp aan mosselgruis’ (van dit laatste woord staan de letters boven het gedicht uitgestrooid). Het zand wordt duin: ‘zich vochtig opende / voor zaad en / zon’ en dat leidt tot ‘totdat mijn gladde meisjesrug / erover gleed / mijn dijen /voor het eerst / zich vochtig opende / voor zon / en zaad’ De n achter ‘opende’ ontbreekt in de tekst.
De ik is nogal dol op vettige vesten, raspende wangen, bittere monden en dan ‘leg je hand op mijn buik / trek een draad met je mee / sla spinrag als zijde / om mijn woorden / langs te sturen’ en dan wordt het ook nog een liefdesgeschiedenis.
Nou ja…
Wendela de Vos, Waar leg ik mijn hart, uitg. Kontrast in de reeks ‘open’, 2017
67 bladzijden
Als stuivend zand liggen de letters in de bundel Waar leg ik mijn hart groter en kleiner over de linkerbladzijden uitgestrooid, maar vaak ook over de pagina met een gedicht. De letters vormen samen een woord dat in het gedicht voorkomt. Ik vraag me af welk criterium de dichteres heeft gebruikt bij het kiezen van het woord.
Het eerste gedicht gaat zo:
Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed
Hier ‘stuift’ het woord ‘muilen’ voorbij. ‘Liefde baart altijd wel iets’, wat is dat nu voor slappe regel? En wat wordt gebaard? ‘kunstig geborduurde muilen een roos van hout’
Welke hand ligt boven in gebed?
Achterin de bundel staat dat de bundel is geïnspireerd door de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke bij Skagen. De Laurentiuskerk is daar sinds de 18de eeuw ondergestoven. Alleen de witte toren staat er nog als baken voor zeelieden. Onder het zand liggen de resten.
De dichteres grossiert in zelfstandig naamwoordgroepen:
‘Vuurtorens in het gras ver van de
horizon van water de koepel dof
een eierdop leeggezogen ligt
te bleken in een nest van ijzer
de trap de schacht de zware deur
verpletterd door de kracht van
korrel boven korrel schuivend weg van
banken klippen rotsen’
Het gaat om een land van vissers, maar waarom laat de dichteres zich meer leiden door gezochte alliteratie dan door precieze verwoording van een waarneming?:
‘De geur van teer en taai en turf
van vissendarmen
dunne soep de snottige vette
walm vanuit de bedkoof
haarvet slaapzweet gemorst zaad
een roetstreep langs de weg
naar boven tussen vuur en dak’
Het zand stuift en schuift, zoekt naar houvast ‘aan een kiezel een schelp aan mosselgruis’ (van dit laatste woord staan de letters boven het gedicht uitgestrooid). Het zand wordt duin: ‘zich vochtig opende / voor zaad en / zon’ en dat leidt tot ‘totdat mijn gladde meisjesrug / erover gleed / mijn dijen /voor het eerst / zich vochtig opende / voor zon / en zaad’ De n achter ‘opende’ ontbreekt in de tekst.
De ik is nogal dol op vettige vesten, raspende wangen, bittere monden en dan ‘leg je hand op mijn buik / trek een draad met je mee / sla spinrag als zijde / om mijn woorden / langs te sturen’ en dan wordt het ook nog een liefdesgeschiedenis.
Nou ja…
Wendela de Vos, Waar leg ik mijn hart, uitg. Kontrast in de reeks ‘open’, 2017
67 bladzijden
Marc Tritsmans Het zingen van de wereld
Kleine poëtische filosofie van het leven
Wat is de situatie van de mens? Waar komen we vandaan, waar gaan we naar toe en waarom? Met de laatste vraag houdt Marc Tritsmans in Het zingen van de wereld , zijn twaalfde bundel, niet bezig. Hij schrijft gedichten over het leven op onze aarde, zoals de titel belooft.
Hoe zijn we op onze woning, de aarde? Hoe gaan we er mee om? Hoe lang al leven we van wat de zon ons brengt? Hoe worden we getroost door de maan en hoe resoneert het draaien van de maan om onze aarde in ons leven? Wat danken we aan lucht en water en wat betekent het licht van alle sterren? Tritsmans is op de hoogte van de natuurkundige stand van zaken in de wetenschap. Hij heeft het over fotonen, over het golf- en deeltjeskarakter dat we geleerd hebben van de quantumfysica.
Eerst dachten we het middelpunt te zijn van het universum, was onze aarde, de planeet waar om alles draaide, wat we leerden van de oude Grieken en wat de moederkerk heel lang volhield. In de 16de eeuw leerden we van Copernicus, Keppler en Galilei dat wij draaien om de zon en vervolgens moesten we begrijpen dat ons zonnestelsel aan de rand van ons melkwegstelsel bewoog en dat we een onbeduidend plekje innamen in de kosmos en dat zelfs dat onbegrijpelijk grote stelsel een vlekje was in een veel groter geheel en uiteindelijk moesten we leren hoe het ons bekende universum slechts een mogelijkheid was in een onvoorstelbaar heelal. Dat ons universum misschien slechts een deel was van oneindig veel aan- en uitflitsende universa.
We dachten dat de mens de kroon was van een door God geschapen wereld, maar we bleken voort te komen uit een reeks van samenklonterende atomen en moleculen en we leerden dat uiteindelijk alles bestond uit onvoorstelbaar kleine trillingen.
Maar wij leven op deze aarde en we maken de wisseling van de seizoenen mee en we zien bomen groeien, hun blad verliezen en we zien ze weer uitbotten. Eerst kunnen we een boom planten en zijn stam met een hand omvatten. Later kunnen we de boom alleen nog maar omarmen en nog later ook dat niet meer.
De taal ‘heeft in haar eentje de mens gemaakt / tot dit reddeloos aan de dood denkend dier / dat zich steeds bewust van het uiteindelijk // zinloze toch maar blijft proberen om hiervoor / nog wat woorden te vinden omdat zelfs even / bestaan beter is dan eeuwig niet bestaan’. Dat is belangrijk: we leven en hoewel we verdwijnen - ja, uiteindelijk met zijn allen - we leven nu.
Zelfs even bestaan is beter dan eeuwig niet bestaan. Waarom is dat zo’n mooie en duizelingwekkende gedachte? Omdat we toch een opdracht hebben? Niet een opdracht van een denkend wezen, maar een opdracht die inherent is aan het leven. Omdat wij leven, moeten wij groeien in bewustzijn, deelnemen aan een zich ontvouwend eeuwig bewustzijn.
Er zijn mensen die niet kunnen geloven in zo’n opdracht. Zij denken dat het leven een zinloze, toevallige affaire is.
Wat denkt de dichter? Kun je dichten zonder zo’n ‘geloof’? Zonder zo’n richting? Is zulk geloof uit de mode geraakt?
ik ben een man van de noordelijke hemisfeer
en wil mij mijn noorden niet laten ontfutselen
wellicht heb ik nog wat van de duiven
huist een gedemodeerd kompas in mijn hoofd
want waar ik ook neerstrijk ga ik in het donker
vastberaden op zoek naar vertrouwde constellaties
fluisteren stemmen van verre voorouders - jagers
reizigers? me dwingend in het oor dat niemand zonder plaatsbepaling echt kan bestaan
altijd willen mijn voeten weten waar ze zich precies
bevinden: gezekerd en geaard ook al dwalen we
met z’n allen stuurloos te midden van ontelbare heelallen
Marc Tritsmans, Het zingen van de wereld, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2017
54 blz
Wat is de situatie van de mens? Waar komen we vandaan, waar gaan we naar toe en waarom? Met de laatste vraag houdt Marc Tritsmans in Het zingen van de wereld , zijn twaalfde bundel, niet bezig. Hij schrijft gedichten over het leven op onze aarde, zoals de titel belooft.
Hoe zijn we op onze woning, de aarde? Hoe gaan we er mee om? Hoe lang al leven we van wat de zon ons brengt? Hoe worden we getroost door de maan en hoe resoneert het draaien van de maan om onze aarde in ons leven? Wat danken we aan lucht en water en wat betekent het licht van alle sterren? Tritsmans is op de hoogte van de natuurkundige stand van zaken in de wetenschap. Hij heeft het over fotonen, over het golf- en deeltjeskarakter dat we geleerd hebben van de quantumfysica.
Eerst dachten we het middelpunt te zijn van het universum, was onze aarde, de planeet waar om alles draaide, wat we leerden van de oude Grieken en wat de moederkerk heel lang volhield. In de 16de eeuw leerden we van Copernicus, Keppler en Galilei dat wij draaien om de zon en vervolgens moesten we begrijpen dat ons zonnestelsel aan de rand van ons melkwegstelsel bewoog en dat we een onbeduidend plekje innamen in de kosmos en dat zelfs dat onbegrijpelijk grote stelsel een vlekje was in een veel groter geheel en uiteindelijk moesten we leren hoe het ons bekende universum slechts een mogelijkheid was in een onvoorstelbaar heelal. Dat ons universum misschien slechts een deel was van oneindig veel aan- en uitflitsende universa.
We dachten dat de mens de kroon was van een door God geschapen wereld, maar we bleken voort te komen uit een reeks van samenklonterende atomen en moleculen en we leerden dat uiteindelijk alles bestond uit onvoorstelbaar kleine trillingen.
Maar wij leven op deze aarde en we maken de wisseling van de seizoenen mee en we zien bomen groeien, hun blad verliezen en we zien ze weer uitbotten. Eerst kunnen we een boom planten en zijn stam met een hand omvatten. Later kunnen we de boom alleen nog maar omarmen en nog later ook dat niet meer.
De taal ‘heeft in haar eentje de mens gemaakt / tot dit reddeloos aan de dood denkend dier / dat zich steeds bewust van het uiteindelijk // zinloze toch maar blijft proberen om hiervoor / nog wat woorden te vinden omdat zelfs even / bestaan beter is dan eeuwig niet bestaan’. Dat is belangrijk: we leven en hoewel we verdwijnen - ja, uiteindelijk met zijn allen - we leven nu.
Zelfs even bestaan is beter dan eeuwig niet bestaan. Waarom is dat zo’n mooie en duizelingwekkende gedachte? Omdat we toch een opdracht hebben? Niet een opdracht van een denkend wezen, maar een opdracht die inherent is aan het leven. Omdat wij leven, moeten wij groeien in bewustzijn, deelnemen aan een zich ontvouwend eeuwig bewustzijn.
Er zijn mensen die niet kunnen geloven in zo’n opdracht. Zij denken dat het leven een zinloze, toevallige affaire is.
Wat denkt de dichter? Kun je dichten zonder zo’n ‘geloof’? Zonder zo’n richting? Is zulk geloof uit de mode geraakt?
ik ben een man van de noordelijke hemisfeer
en wil mij mijn noorden niet laten ontfutselen
wellicht heb ik nog wat van de duiven
huist een gedemodeerd kompas in mijn hoofd
want waar ik ook neerstrijk ga ik in het donker
vastberaden op zoek naar vertrouwde constellaties
fluisteren stemmen van verre voorouders - jagers
reizigers? me dwingend in het oor dat niemand zonder plaatsbepaling echt kan bestaan
altijd willen mijn voeten weten waar ze zich precies
bevinden: gezekerd en geaard ook al dwalen we
met z’n allen stuurloos te midden van ontelbare heelallen
Marc Tritsmans, Het zingen van de wereld, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2017
54 blz
Nachoem Wijnberg Voor jou, van jou
Licht en zwaar
Sinds Henriette Roland Holst hebben we niet vaak zulke lange titels gezien als bij Nachoem Wijnbergs bundel Van groot belang. Ook in zijn jongste bundel Voor jou, van jou vinden we lange titels, maar hier heeft Wijnberg meestal korte titels en hij laat dezelfde titels onbekommerd soms meer dan éen maal terugkomen, bij voorbeeld ‘Avond’, ‘Vogel’, ‘Je dochter’, Zwaar,licht’.
Voor jou, van jou, wat betekent dat? Voor de dichter, van de dichter, maar ook voor de lezer en van de lezer. Bij het laatste moet je denken aan de meelezende, meelevende lezer die het gedicht opnieuw realiseert.
Hoe zwaar is een gedicht? Lijkt zwaar op moeilijk? Hoeveel gewicht geeft een gedicht? Wat is gewicht? Misschien kun je maar één voorbeeld noemen van wat gewicht is. Hoeveel weeg je eigenlijk? Vijfenzeventig kilo of negentig? Als je honderdtwintig kilo weegt, ben je zwaar en dan kun je gemakkelijk iemand omver lopen, iemand ‘die tegen je zegt: je kan niet altijd / zo zwaar zijn.’
Tegen Wijnberg werd vaak gezegd: ‘Schrijf niet zo moeilijk; je bent zo zwaar. Schrijf toch eens wat lichter!’ De dichter hield vol dat zijn taal glashelder was; iedereen zou het moeten kunnen begrijpen. Maar niet de woorden en de woordgroepen zijn moeilijk; het zijn de gedachten die door de woorden zijn aaneengeregen: de sprongen, de weglatingen. Het zijn de vreemde gebeurtenissen die kalm verteld worden, alsof ze gewoon zijn. ‘De eerste keer dat / iemand is als de avond / opgeven.’
De bundel begint zo: ‘Je kan honderden voorbeelden geven / van wat gewicht is, maar je herinnert je / er maar één.’
De ik van het eerste gedicht herinnert zich nog een voorbeeld van gewicht, misschien een licht voorbeeld. Een kind tussen zijn ouders. Ze tillen hem samen op en laten hem schommelen terwijl ze verder lopen. Het lijkt een beeld voor de lezer. Laat je maar optillen.
En dan spreekt de dichter zichzelf toe: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, en niet van anderen wil leren.’
Waar ben je niet goed in? In licht schrijven. Je schrijft vanzelf zwaar en zo word je gewaardeerd, maar je hoopt door veel te schrijven beter te worden in het lichte.
‘Zwaarte’ kan letterlijk worden opgevat. Hoe zwaar ben je? De dichter verbindt ‘gewicht’ met ‘herinnering’ en die heeft ook te maken met ‘liefde’. Hij heeft het over ‘de heer van de herinneringen’. Wie is dat? Ben je dat misschien zelf? De faculteit van het bewustzijn die de herinneringen beheerst en vrij geeft?
Een herinnering is: hoe een meisje wordt gevraagd. Je weet het niet meer. Je vraagt het aan je dochters. Die zullen het misschien weten.
Nu, is dat niet licht?
OF HET MAKKELIJKER IS JE IETS TE HERINNEREN ALS JE EEN GROOT DEEL VAN JE LEVEN MET DEZELFDE GEWEEST BENT OF WANNEER JE JE KAN HELPEN DOOR TE BEDENKEN DAT DAT IN DE TIJD WAS DAT JE MET DIE OF DIE WAS
Je kan terugkrijgen
wat je je niet eens kan herinneren
dat je het weggegeven hebt.
Dat is wanneer je zegt
dat je het verhaal kan vertellen,
maar je weet niet waar te beginnen.
Dat is wanneer je zegt
dat je niet meer weet hoe het vuur te maken
of welke woorden te zeggen
op welke plaats
in het bos.
Je weet niet eens welk bos het was,
maar als je je een bos kan herinneren
kan je het terugkrijgen.
Wat heb je weggegeven?
Niet meer weten hoe het vuur te maken, dat lijkt op teruggaan naar een vorig stadium in de mensheid. Welke woorden moet je zeggen op een bepaalde plaats in het bos?Hoe moet je je verbinden met animistische geesten of later, de goden?
Is DEZELFDE uit de titel misschien een god die zin gaf aan je leven, richting, betekenis. Dat ben je kwijtgeraakt, maar je verlangt er naar. Wanneer heb je het geloof in god weggegeven?
Het volgende gedicht heet VAN WIE BEN JIJ? en het begint zo:
De heer van de zon
laat een huis met blinde muren bouwen
voor de heer van de storm.
hij zit graag in het donker
Een vraag waar filosofen en schrijvers zich al meer dan een eeuw in verdiepen is: welk gewicht kan de mens nog aan zijn leven toekennen als er geen ‘hierboven’ bestaat? Jeroen van Heste vraagt zich dit af in zijn studie Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur: ‘Hoe kunnen we weten wat te doen als er geen transcendente God is die een oordeel kan uitspreken en een fundering van ons leven daardoor ontbreekt?’
Nachoem Wijnberg lijkt in zijn poëzie ook te onderzoeken wat ‘de ondraaglijke lichtheid van het menselijk ik’ betekent, de ongrijpbaarheid van onze identiteit. Hij doet dat met grote volharding en toenemende urgentie en hij dwingt zijn lezer met hem mee te denken. Het fascinerende is de kalme chaos, het meegesleept worden in de vraag wie je bent, waar en waarom? Zo is duidelijk dat het om veel meer gaat dan esthetiek. Hij en wij zijn op zoek naar de oude trits schoonheid, goedheid en waarheid in een wereld zonder fundament.
De letters van de titel op het voorplat lijken spinsels, zo licht in het rood van de kaft. Zo licht, maar ook zo sterk. Ronald Triebels ontwierp het omslag. Ik vraag me af hoe sturend de dichter hierbij is geweest.
Nachoem M. Wijnberg, Voor jou, van jou, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017.
97 pp.
Sinds Henriette Roland Holst hebben we niet vaak zulke lange titels gezien als bij Nachoem Wijnbergs bundel Van groot belang. Ook in zijn jongste bundel Voor jou, van jou vinden we lange titels, maar hier heeft Wijnberg meestal korte titels en hij laat dezelfde titels onbekommerd soms meer dan éen maal terugkomen, bij voorbeeld ‘Avond’, ‘Vogel’, ‘Je dochter’, Zwaar,licht’.
Voor jou, van jou, wat betekent dat? Voor de dichter, van de dichter, maar ook voor de lezer en van de lezer. Bij het laatste moet je denken aan de meelezende, meelevende lezer die het gedicht opnieuw realiseert.
Hoe zwaar is een gedicht? Lijkt zwaar op moeilijk? Hoeveel gewicht geeft een gedicht? Wat is gewicht? Misschien kun je maar één voorbeeld noemen van wat gewicht is. Hoeveel weeg je eigenlijk? Vijfenzeventig kilo of negentig? Als je honderdtwintig kilo weegt, ben je zwaar en dan kun je gemakkelijk iemand omver lopen, iemand ‘die tegen je zegt: je kan niet altijd / zo zwaar zijn.’
Tegen Wijnberg werd vaak gezegd: ‘Schrijf niet zo moeilijk; je bent zo zwaar. Schrijf toch eens wat lichter!’ De dichter hield vol dat zijn taal glashelder was; iedereen zou het moeten kunnen begrijpen. Maar niet de woorden en de woordgroepen zijn moeilijk; het zijn de gedachten die door de woorden zijn aaneengeregen: de sprongen, de weglatingen. Het zijn de vreemde gebeurtenissen die kalm verteld worden, alsof ze gewoon zijn. ‘De eerste keer dat / iemand is als de avond / opgeven.’
De bundel begint zo: ‘Je kan honderden voorbeelden geven / van wat gewicht is, maar je herinnert je / er maar één.’
De ik van het eerste gedicht herinnert zich nog een voorbeeld van gewicht, misschien een licht voorbeeld. Een kind tussen zijn ouders. Ze tillen hem samen op en laten hem schommelen terwijl ze verder lopen. Het lijkt een beeld voor de lezer. Laat je maar optillen.
En dan spreekt de dichter zichzelf toe: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, en niet van anderen wil leren.’
Waar ben je niet goed in? In licht schrijven. Je schrijft vanzelf zwaar en zo word je gewaardeerd, maar je hoopt door veel te schrijven beter te worden in het lichte.
‘Zwaarte’ kan letterlijk worden opgevat. Hoe zwaar ben je? De dichter verbindt ‘gewicht’ met ‘herinnering’ en die heeft ook te maken met ‘liefde’. Hij heeft het over ‘de heer van de herinneringen’. Wie is dat? Ben je dat misschien zelf? De faculteit van het bewustzijn die de herinneringen beheerst en vrij geeft?
Een herinnering is: hoe een meisje wordt gevraagd. Je weet het niet meer. Je vraagt het aan je dochters. Die zullen het misschien weten.
Nu, is dat niet licht?
OF HET MAKKELIJKER IS JE IETS TE HERINNEREN ALS JE EEN GROOT DEEL VAN JE LEVEN MET DEZELFDE GEWEEST BENT OF WANNEER JE JE KAN HELPEN DOOR TE BEDENKEN DAT DAT IN DE TIJD WAS DAT JE MET DIE OF DIE WAS
Je kan terugkrijgen
wat je je niet eens kan herinneren
dat je het weggegeven hebt.
Dat is wanneer je zegt
dat je het verhaal kan vertellen,
maar je weet niet waar te beginnen.
Dat is wanneer je zegt
dat je niet meer weet hoe het vuur te maken
of welke woorden te zeggen
op welke plaats
in het bos.
Je weet niet eens welk bos het was,
maar als je je een bos kan herinneren
kan je het terugkrijgen.
Wat heb je weggegeven?
Niet meer weten hoe het vuur te maken, dat lijkt op teruggaan naar een vorig stadium in de mensheid. Welke woorden moet je zeggen op een bepaalde plaats in het bos?Hoe moet je je verbinden met animistische geesten of later, de goden?
Is DEZELFDE uit de titel misschien een god die zin gaf aan je leven, richting, betekenis. Dat ben je kwijtgeraakt, maar je verlangt er naar. Wanneer heb je het geloof in god weggegeven?
Het volgende gedicht heet VAN WIE BEN JIJ? en het begint zo:
De heer van de zon
laat een huis met blinde muren bouwen
voor de heer van de storm.
hij zit graag in het donker
Een vraag waar filosofen en schrijvers zich al meer dan een eeuw in verdiepen is: welk gewicht kan de mens nog aan zijn leven toekennen als er geen ‘hierboven’ bestaat? Jeroen van Heste vraagt zich dit af in zijn studie Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur: ‘Hoe kunnen we weten wat te doen als er geen transcendente God is die een oordeel kan uitspreken en een fundering van ons leven daardoor ontbreekt?’
Nachoem Wijnberg lijkt in zijn poëzie ook te onderzoeken wat ‘de ondraaglijke lichtheid van het menselijk ik’ betekent, de ongrijpbaarheid van onze identiteit. Hij doet dat met grote volharding en toenemende urgentie en hij dwingt zijn lezer met hem mee te denken. Het fascinerende is de kalme chaos, het meegesleept worden in de vraag wie je bent, waar en waarom? Zo is duidelijk dat het om veel meer gaat dan esthetiek. Hij en wij zijn op zoek naar de oude trits schoonheid, goedheid en waarheid in een wereld zonder fundament.
De letters van de titel op het voorplat lijken spinsels, zo licht in het rood van de kaft. Zo licht, maar ook zo sterk. Ronald Triebels ontwierp het omslag. Ik vraag me af hoe sturend de dichter hierbij is geweest.
Nachoem M. Wijnberg, Voor jou, van jou, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017.
97 pp.
Maartje Smits Hoe ik een bos begon in mijn badkamer,
Ecologische teksten
Het is een rare titel ‘Hoe ik een bos begon in mijn badkamer’ en misschien ook wel een rare bundel. Dat is niet erg, maar Maartje Smits rekt de grenzen van het genre op, niet alleen door de vele foto’s in haar dichtbundel, maar ook door de Engelse en Duitse woorden in haar Nederlandse teksten en door de vreemdheid er van.
WEBCAM VOS
even geduld
wildernis
watch watch
door slechte verbinding in het bos
kan de camera eruit liggen
en de webcamvos
jongt vroeg dit jaar
berken zeven hun dagelijkse kilo’s
een partijtke lichte zoogdieren
spot in het struikgewas
Het titelgedicht vertelt hoe de ik verleid (werd) door handzame varens in de supermarkt. De vulploegmedewerker vermaant en zegt dat je in Suriname moet vechten tegen de natuur, anders neemt ze alles over. De voorplaat laat een dubbel stopcontact zien, omgeven, overwoekerd bijna, door korstmos.
De NOTITIES BIJ NATUURBRUG ZANDPOORT zijn opgebouwd uit 6 artikelen. De laatste tekst van de reeks 6.1 tot 6.6:
6.3 tussenzone
ecologisch en
recreatief liggen
duintjes
Een wonderlijke strofe. Verderop in het gedicht(?):
6.4 over de natuurbrug loopt
schrikdraad 2m40 ingegraven
tegen gulzige damherten
die niet mogen oversteken
damherten gaan te weinig dood
en eten te veel
6.5 damherten zijn een gevaar voor de natuur
6.6 de natuur is geen damhert
Het is duidelijk dat Smits vragen stelt over ons natuurbeheer. Prikkelende vragen, maar de vorm doet me eerder denken aan een standpuntbepaling met veel gevoel, in korte regels, dan aan gedichten, ondanks de wonderlijke metaforen.
Nog een voorbeeld:
AFBREEKBAAR
als bomen mogen blijven liggen op de Veluwe
een tuin waar alles uitslaapt en ik niet opval
hoe lang zou ons vermolmen duren
mijn omgedroomde kind klopt
zuchtend zaagsel uit mijn kruin
onder de slapende zaden van haar ogen
liggen fijne nerven die afbreken als ik lach
mijn lijf is al jaren van plantaardige oorsprong
ik denk niet
dat we hier zullen aarden
Ik heb de bundel vaak ter hand genomen in de hoop dat de teksten mij op een moment zouden raken, maar het is niet gebeurd. Laten we er het maar op houden dat ik niet de geschikte lezer ben voor deze bundel.
Maartje Smits, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer, De Harmonie, Amsterdam 2017
69 bladzijden
Het is een rare titel ‘Hoe ik een bos begon in mijn badkamer’ en misschien ook wel een rare bundel. Dat is niet erg, maar Maartje Smits rekt de grenzen van het genre op, niet alleen door de vele foto’s in haar dichtbundel, maar ook door de Engelse en Duitse woorden in haar Nederlandse teksten en door de vreemdheid er van.
WEBCAM VOS
even geduld
wildernis
watch watch
door slechte verbinding in het bos
kan de camera eruit liggen
en de webcamvos
jongt vroeg dit jaar
berken zeven hun dagelijkse kilo’s
een partijtke lichte zoogdieren
spot in het struikgewas
Het titelgedicht vertelt hoe de ik verleid (werd) door handzame varens in de supermarkt. De vulploegmedewerker vermaant en zegt dat je in Suriname moet vechten tegen de natuur, anders neemt ze alles over. De voorplaat laat een dubbel stopcontact zien, omgeven, overwoekerd bijna, door korstmos.
De NOTITIES BIJ NATUURBRUG ZANDPOORT zijn opgebouwd uit 6 artikelen. De laatste tekst van de reeks 6.1 tot 6.6:
6.3 tussenzone
ecologisch en
recreatief liggen
duintjes
Een wonderlijke strofe. Verderop in het gedicht(?):
6.4 over de natuurbrug loopt
schrikdraad 2m40 ingegraven
tegen gulzige damherten
die niet mogen oversteken
damherten gaan te weinig dood
en eten te veel
6.5 damherten zijn een gevaar voor de natuur
6.6 de natuur is geen damhert
Het is duidelijk dat Smits vragen stelt over ons natuurbeheer. Prikkelende vragen, maar de vorm doet me eerder denken aan een standpuntbepaling met veel gevoel, in korte regels, dan aan gedichten, ondanks de wonderlijke metaforen.
Nog een voorbeeld:
AFBREEKBAAR
als bomen mogen blijven liggen op de Veluwe
een tuin waar alles uitslaapt en ik niet opval
hoe lang zou ons vermolmen duren
mijn omgedroomde kind klopt
zuchtend zaagsel uit mijn kruin
onder de slapende zaden van haar ogen
liggen fijne nerven die afbreken als ik lach
mijn lijf is al jaren van plantaardige oorsprong
ik denk niet
dat we hier zullen aarden
Ik heb de bundel vaak ter hand genomen in de hoop dat de teksten mij op een moment zouden raken, maar het is niet gebeurd. Laten we er het maar op houden dat ik niet de geschikte lezer ben voor deze bundel.
Maartje Smits, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer, De Harmonie, Amsterdam 2017
69 bladzijden
Jeroen van Kan De wereld onleefbaar
De wereld onleefbaar
Wesley Albstmeyer werd geboren in 1979 in Kaapstad. In 2008 publiceerde hij in jaargang 6 van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Jij de wereld’:
je bent niet van mij nooit geweest maar wel altijd
hier ook al onttrekt zich dat aan wat jij voelt ziet
hoort ruikt met alle gulzigheid omarmt jij die je vol
overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat sleuren
want onmatigheid is je middle name en juist dat is wat
ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan onmatig
verzamelde omarmingen van deze wereld jij als vat waarin
ik zonder voorbehoud zou willen verdrinken
jij die uit alle poriën leven ademt ervaringen indrukken
kleuren en geluiden jij die dit alles misschien zelfs bent
jij die alles omvat waar ik geen deel aan hebben kan
vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed
dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben jij
de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend
=
Jeroen van Kan publiceerde de wereld onleesbaar in 2017 bij Querido. Hij werd geboren in Hoorn 1968. Hij is dus 11 jaar ouder dan Wesley. Inmiddels weten we dat Wesley een schuilnaam is voor Jeroen. Leek jonger beter voor de publiciteit? Voelde Jeroen zich jonger? Leek Kaapstad interessanter dan Hoorn? (De schippers van Hoorn voeren om de Kaap!)
Het gedicht ‘jij de wereld’ staat op p.62:
jij die je vol overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat
sleuren
jij die alles met gulzigheid omarmt want onmatigheid is
je middle name
dat is wat ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan
onmatig verzamelde omarmingen van deze wereld
jij die uit alle poriën leven ademt
jij die alles omdat waar ik geen deel aan kan hebben
vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed
dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben
jij de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend
=
De sonnetvorm, zonder eindrijm of metrum, is losgelaten. Het ontbreken van interpunctie is gebleven. Opvallend is ook het feit dat ‘sleuren’ nu op de volgende regel staat, net als ‘onmatig’ en ‘jij’.
Is de ‘jij’ iemand op wie de ‘ik’ jaloers is of is de ‘jij’ de naar buiten tredende ‘ik’, die hij graag ook van binnen zou zijn?
Uit de bundel is duidelijk dat de ‘ik’ enerzijds naar buiten wil treden en dat ook kan, anderzijds zich wil verbergen voor de wereld.
Hier is een dichter die enerzijds allerlei intieme gevoelens en situaties weergeeft, anderzijds de lezer afschermt: ho, het mag niet te anekdotisch worden, niet te persoonlijk. Het moet wel beheerst. Geen sentimentaliteiten alstublieft. Zie bijvoorbeeld ‘scherven 1 en 2’ (waarbij de lezer aan Faverey moet denken, die het had over de dood en niet over de liefde):
kijk ons daar staan
tussen onze voeten de vaas die jij
niet liet vallen en ik evenmin
kijk ons die breuklijn strelen
hoe onze vingertoppen het parcours
afleggen op niks af langs de rand
kijk die eens niet meer passen op
die andere scherpe rand en die
andere ook al niet op die
…
Het volgende gedicht heet ‘uittocht’. Moeten we dat nu begrijpen als een soort toekomstbeeld voor de verloren partner? Toch niet, omdat het het laatste gedicht uit de bundel is als afscheid/waarschuwing van/aan de lezer?
De ik uit de gedichten wordt opgejaagd door een verlangen. De dichter benoemt het als ‘doodsbenauwde haast’. Daar tegenover staat een ochtendlijke ‘bedauwde landweg’ ‘waar nog niets lijkt begonnen’. Rust, maar jij rent. De notering is iconisch:
‘en jij rent
jij rent
jij rent’
De ‘jij’, de ‘ik’ die zichzelf toespreekt, realiseert zich dat hij rent naar een toekomst, waar als het goed is ‘elk verlangen is genezen’.
Hij kan jaloers zijn op de ongenaakbaarheid van een steen. De steen die hij bekijkt - hij lijkt op zoek naar een opening - is ‘in zichzelf genoeg’, vindt ‘in zichzelf vervulling.
Het is een verlangen naar stilstand. Elders in de bundel krijgt dit gestalte in ‘dode roofvogel’.
Het verlangen spreekt ook in ‘hoop hulpmotor hart’: ‘zo afgerond lig ik hier in het graf zo puntgaaf’ en ‘zoafgerond aan alle hoeken zo heerlijk glad en / klaar en af zo ben ik nooit geweest toen dit alles / nog werd bezield’.
Jeroen van Kan, de wereld onleesbaar, uitg. Querido, Amsterdam 2017.
71 pagina’s
Wesley Albstmeyer werd geboren in 1979 in Kaapstad. In 2008 publiceerde hij in jaargang 6 van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Jij de wereld’:
je bent niet van mij nooit geweest maar wel altijd
hier ook al onttrekt zich dat aan wat jij voelt ziet
hoort ruikt met alle gulzigheid omarmt jij die je vol
overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat sleuren
want onmatigheid is je middle name en juist dat is wat
ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan onmatig
verzamelde omarmingen van deze wereld jij als vat waarin
ik zonder voorbehoud zou willen verdrinken
jij die uit alle poriën leven ademt ervaringen indrukken
kleuren en geluiden jij die dit alles misschien zelfs bent
jij die alles omvat waar ik geen deel aan hebben kan
vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed
dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben jij
de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend
=
Jeroen van Kan publiceerde de wereld onleesbaar in 2017 bij Querido. Hij werd geboren in Hoorn 1968. Hij is dus 11 jaar ouder dan Wesley. Inmiddels weten we dat Wesley een schuilnaam is voor Jeroen. Leek jonger beter voor de publiciteit? Voelde Jeroen zich jonger? Leek Kaapstad interessanter dan Hoorn? (De schippers van Hoorn voeren om de Kaap!)
Het gedicht ‘jij de wereld’ staat op p.62:
jij die je vol overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat
sleuren
jij die alles met gulzigheid omarmt want onmatigheid is
je middle name
dat is wat ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan
onmatig verzamelde omarmingen van deze wereld
jij die uit alle poriën leven ademt
jij die alles omdat waar ik geen deel aan kan hebben
vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed
dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben
jij de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend
=
De sonnetvorm, zonder eindrijm of metrum, is losgelaten. Het ontbreken van interpunctie is gebleven. Opvallend is ook het feit dat ‘sleuren’ nu op de volgende regel staat, net als ‘onmatig’ en ‘jij’.
Is de ‘jij’ iemand op wie de ‘ik’ jaloers is of is de ‘jij’ de naar buiten tredende ‘ik’, die hij graag ook van binnen zou zijn?
Uit de bundel is duidelijk dat de ‘ik’ enerzijds naar buiten wil treden en dat ook kan, anderzijds zich wil verbergen voor de wereld.
Hier is een dichter die enerzijds allerlei intieme gevoelens en situaties weergeeft, anderzijds de lezer afschermt: ho, het mag niet te anekdotisch worden, niet te persoonlijk. Het moet wel beheerst. Geen sentimentaliteiten alstublieft. Zie bijvoorbeeld ‘scherven 1 en 2’ (waarbij de lezer aan Faverey moet denken, die het had over de dood en niet over de liefde):
kijk ons daar staan
tussen onze voeten de vaas die jij
niet liet vallen en ik evenmin
kijk ons die breuklijn strelen
hoe onze vingertoppen het parcours
afleggen op niks af langs de rand
kijk die eens niet meer passen op
die andere scherpe rand en die
andere ook al niet op die
…
Het volgende gedicht heet ‘uittocht’. Moeten we dat nu begrijpen als een soort toekomstbeeld voor de verloren partner? Toch niet, omdat het het laatste gedicht uit de bundel is als afscheid/waarschuwing van/aan de lezer?
De ik uit de gedichten wordt opgejaagd door een verlangen. De dichter benoemt het als ‘doodsbenauwde haast’. Daar tegenover staat een ochtendlijke ‘bedauwde landweg’ ‘waar nog niets lijkt begonnen’. Rust, maar jij rent. De notering is iconisch:
‘en jij rent
jij rent
jij rent’
De ‘jij’, de ‘ik’ die zichzelf toespreekt, realiseert zich dat hij rent naar een toekomst, waar als het goed is ‘elk verlangen is genezen’.
Hij kan jaloers zijn op de ongenaakbaarheid van een steen. De steen die hij bekijkt - hij lijkt op zoek naar een opening - is ‘in zichzelf genoeg’, vindt ‘in zichzelf vervulling.
Het is een verlangen naar stilstand. Elders in de bundel krijgt dit gestalte in ‘dode roofvogel’.
Het verlangen spreekt ook in ‘hoop hulpmotor hart’: ‘zo afgerond lig ik hier in het graf zo puntgaaf’ en ‘zoafgerond aan alle hoeken zo heerlijk glad en / klaar en af zo ben ik nooit geweest toen dit alles / nog werd bezield’.
Jeroen van Kan, de wereld onleesbaar, uitg. Querido, Amsterdam 2017.
71 pagina’s
Abonneren op:
Posts (Atom)