maandag 12 maart 2018

Nachoem Wijnberg Voor jou, van jou

Licht en zwaar

Sinds Henriette Roland Holst hebben we niet vaak zulke lange titels  gezien als bij Nachoem Wijnbergs bundel Van groot belang.  Ook in zijn jongste bundel Voor jou, van jou vinden we  lange titels, maar hier heeft Wijnberg meestal korte titels en hij laat dezelfde titels onbekommerd soms meer dan éen maal terugkomen, bij voorbeeld ‘Avond’, ‘Vogel’, ‘Je dochter’, Zwaar,licht’.

Voor jou, van jou, wat betekent dat? Voor de dichter, van de dichter, maar ook voor de lezer en van de lezer. Bij het laatste moet je denken aan de meelezende, meelevende lezer die het gedicht opnieuw realiseert.

Hoe zwaar is een gedicht? Lijkt zwaar op moeilijk? Hoeveel gewicht geeft een gedicht? Wat is gewicht? Misschien kun je maar één voorbeeld noemen van wat gewicht is. Hoeveel weeg je eigenlijk? Vijfenzeventig kilo of negentig? Als je honderdtwintig kilo weegt, ben je zwaar en dan kun je gemakkelijk iemand omver lopen, iemand ‘die tegen je zegt: je kan niet altijd / zo zwaar zijn.’
Tegen Wijnberg werd vaak gezegd: ‘Schrijf niet zo moeilijk; je bent zo zwaar. Schrijf toch eens wat lichter!’ De dichter hield vol dat zijn taal glashelder was; iedereen zou het moeten kunnen begrijpen. Maar niet de woorden en de woordgroepen zijn moeilijk; het zijn de gedachten die door de woorden zijn aaneengeregen: de sprongen, de weglatingen. Het zijn de vreemde gebeurtenissen die kalm verteld worden, alsof ze gewoon zijn. ‘De eerste keer dat / iemand is als de avond / opgeven.’

De bundel begint zo: ‘Je kan honderden voorbeelden geven / van wat gewicht is, maar je herinnert je / er maar één.’
De ik van het eerste gedicht herinnert zich nog een voorbeeld van gewicht, misschien een licht voorbeeld. Een kind tussen zijn ouders. Ze tillen hem samen op en laten hem schommelen terwijl ze verder lopen. Het lijkt een beeld voor de lezer. Laat je maar optillen.
En dan spreekt de dichter zichzelf toe: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, en niet van anderen wil leren.’
Waar ben je niet goed in? In licht schrijven. Je schrijft vanzelf zwaar en zo word je gewaardeerd, maar je hoopt door veel te schrijven beter te worden in het lichte.

‘Zwaarte’ kan letterlijk worden opgevat. Hoe zwaar ben je? De dichter verbindt ‘gewicht’ met ‘herinnering’ en die heeft ook te maken met ‘liefde’. Hij heeft het over ‘de heer van de herinneringen’. Wie is dat? Ben je dat misschien zelf? De faculteit van het bewustzijn die de herinneringen beheerst en vrij geeft?
Een herinnering is: hoe een meisje wordt gevraagd. Je weet het niet meer. Je vraagt het aan je dochters. Die zullen het misschien weten.
Nu, is dat niet licht?

OF HET MAKKELIJKER IS JE IETS TE HERINNEREN ALS JE EEN GROOT DEEL VAN JE LEVEN MET DEZELFDE GEWEEST BENT OF WANNEER JE JE KAN HELPEN DOOR TE BEDENKEN DAT DAT IN DE TIJD WAS DAT JE MET DIE OF DIE WAS

Je kan terugkrijgen
wat je je niet eens kan herinneren
dat je het weggegeven hebt.

Dat is wanneer je zegt
dat je het verhaal kan vertellen,
maar je weet niet waar te beginnen.

Dat is wanneer je zegt
dat je niet meer weet hoe het vuur te maken
of welke woorden te zeggen
op welke plaats
in het bos.

Je weet niet eens welk bos het was,
maar als je je een bos kan herinneren
kan je het terugkrijgen.

Wat heb je weggegeven?

Niet meer weten hoe het vuur te maken, dat lijkt op teruggaan naar een vorig stadium in de mensheid. Welke woorden moet je zeggen op een bepaalde plaats in het bos?Hoe moet je je verbinden met animistische geesten of later, de goden?
Is DEZELFDE uit de titel misschien een god die zin gaf aan je leven, richting, betekenis. Dat ben je kwijtgeraakt, maar je verlangt er naar. Wanneer heb je het geloof in god weggegeven?

Het volgende gedicht heet VAN WIE BEN JIJ? en het begint zo:

De heer van de zon
laat een huis met blinde muren bouwen
voor de heer van de storm.
hij zit graag in het donker


Een vraag waar filosofen en schrijvers zich al meer dan een eeuw in verdiepen is: welk gewicht kan de mens nog aan zijn leven toekennen als er geen ‘hierboven’ bestaat? Jeroen van Heste vraagt zich dit af in zijn studie Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur: ‘Hoe kunnen we weten wat te doen als er geen transcendente God is die een oordeel kan uitspreken en een fundering van ons leven daardoor ontbreekt?’

Nachoem Wijnberg lijkt in zijn poëzie ook te onderzoeken wat ‘de ondraaglijke lichtheid van het menselijk ik’ betekent, de ongrijpbaarheid van onze identiteit. Hij doet dat met grote volharding en toenemende urgentie en hij dwingt zijn lezer met hem mee te denken. Het fascinerende is de kalme chaos, het meegesleept worden in de vraag wie je bent, waar en waarom? Zo is duidelijk dat het om veel meer gaat dan esthetiek. Hij en wij zijn op zoek naar de oude trits schoonheid, goedheid en waarheid in een wereld zonder fundament.

De letters van de titel op het voorplat lijken spinsels, zo licht in het rood van de kaft. Zo licht, maar ook zo sterk. Ronald Triebels ontwierp het omslag. Ik vraag me af hoe sturend de dichter hierbij is geweest.

Nachoem M. Wijnberg, Voor jou, van jou, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017.
97 pp.

Maartje Smits Hoe ik een bos begon in mijn badkamer,

Ecologische teksten

Het is een rare titel ‘Hoe ik een bos begon in mijn badkamer’ en misschien ook wel een rare bundel. Dat is niet erg, maar Maartje Smits rekt de grenzen van het genre op, niet alleen door de vele foto’s in haar dichtbundel, maar ook door de Engelse en Duitse woorden in haar Nederlandse teksten en door de vreemdheid er van.

WEBCAM VOS

even geduld
wildernis
watch watch

door slechte verbinding in het bos
kan de camera eruit liggen

en de webcamvos
jongt vroeg dit jaar

berken zeven hun dagelijkse kilo’s
een partijtke lichte zoogdieren
spot in het struikgewas

Het titelgedicht vertelt hoe de ik verleid (werd) door handzame varens in de supermarkt. De vulploegmedewerker vermaant en zegt dat je in Suriname moet vechten tegen de natuur, anders neemt ze alles over. De voorplaat laat een dubbel stopcontact  zien, omgeven, overwoekerd bijna, door korstmos.

De NOTITIES BIJ NATUURBRUG ZANDPOORT zijn opgebouwd uit 6 artikelen. De laatste tekst van de reeks 6.1 tot 6.6:

6.3 tussenzone
ecologisch en
recreatief liggen
duintjes

Een wonderlijke strofe. Verderop in het gedicht(?):

6.4 over de natuurbrug loopt
schrikdraad 2m40 ingegraven
tegen gulzige damherten
die niet mogen oversteken
damherten gaan te weinig dood
en eten te veel

6.5 damherten zijn een gevaar voor de natuur

6.6 de natuur is geen damhert

Het is duidelijk dat Smits vragen stelt over ons natuurbeheer. Prikkelende vragen, maar de vorm doet me eerder denken aan een standpuntbepaling met veel gevoel, in korte regels, dan aan gedichten, ondanks de wonderlijke metaforen.

Nog een voorbeeld:

AFBREEKBAAR

als bomen mogen blijven liggen op de Veluwe
een tuin waar alles uitslaapt en ik niet opval

hoe lang zou ons vermolmen duren

mijn omgedroomde kind klopt
zuchtend zaagsel uit mijn kruin
onder de slapende zaden van haar ogen
liggen fijne nerven die afbreken als ik lach
mijn lijf is al jaren van plantaardige oorsprong

ik denk niet
dat we hier zullen aarden


Ik heb de bundel vaak ter hand genomen in de hoop dat de teksten mij op een moment zouden raken, maar het is niet gebeurd. Laten we er het maar op houden dat ik niet de geschikte lezer ben voor deze bundel.

Maartje Smits, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer, De Harmonie, Amsterdam 2017
69 bladzijden

Jeroen van Kan De wereld onleefbaar

De wereld onleefbaar

Wesley Albstmeyer werd geboren in 1979 in Kaapstad. In 2008 publiceerde hij in jaargang 6 van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Jij de wereld’:

je bent niet van mij nooit geweest maar wel altijd

hier ook al onttrekt zich dat aan wat jij voelt ziet

hoort ruikt met alle gulzigheid omarmt jij die je vol

overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat sleuren



want onmatigheid is je middle name en juist dat is wat

ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan onmatig

verzamelde omarmingen van deze wereld jij als vat waarin

ik zonder voorbehoud zou willen verdrinken



jij die uit alle poriën leven ademt ervaringen indrukken

kleuren en geluiden jij die dit alles misschien zelfs bent

jij die alles omvat waar ik geen deel aan hebben kan



vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed

dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben jij

de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend

=
Jeroen van Kan publiceerde de wereld  onleesbaar  in 2017 bij Querido. Hij werd geboren in Hoorn 1968. Hij is dus 11 jaar ouder dan Wesley. Inmiddels weten we dat Wesley een schuilnaam is voor Jeroen. Leek jonger beter voor de publiciteit? Voelde Jeroen zich jonger? Leek Kaapstad interessanter dan Hoorn? (De schippers van Hoorn voeren om de Kaap!)
Het gedicht ‘jij de wereld’ staat op p.62:

jij die je vol overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat
sleuren

jij die alles met gulzigheid omarmt want onmatigheid is
je middle name

dat is wat ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan
onmatig verzamelde omarmingen van deze wereld

jij die uit alle poriën leven ademt

jij die alles omdat waar ik geen deel aan kan hebben

vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed
dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben

jij de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend

=
De sonnetvorm, zonder eindrijm of metrum, is losgelaten. Het ontbreken van interpunctie is gebleven. Opvallend is ook het feit dat ‘sleuren’ nu op de volgende regel staat, net als ‘onmatig’ en ‘jij’.

Is de ‘jij’ iemand op wie de ‘ik’ jaloers is of is de ‘jij’ de naar buiten tredende ‘ik’, die hij graag ook van binnen zou zijn?
Uit de bundel is duidelijk dat de ‘ik’ enerzijds naar buiten wil treden en dat ook kan, anderzijds zich wil verbergen voor de wereld.

Hier is een dichter die enerzijds allerlei intieme gevoelens en situaties weergeeft, anderzijds de lezer afschermt: ho, het mag niet te anekdotisch worden, niet te persoonlijk. Het moet wel beheerst. Geen sentimentaliteiten alstublieft. Zie bijvoorbeeld ‘scherven 1 en 2’ (waarbij de lezer aan Faverey moet denken, die het had over de dood en niet over de liefde):

kijk ons daar staan
tussen onze voeten de vaas die jij
niet liet vallen en ik evenmin

kijk ons die breuklijn strelen
hoe onze vingertoppen het parcours
afleggen op niks af langs de rand

kijk die eens niet meer passen op
die andere scherpe rand en die
andere ook al niet op die

…

Het volgende gedicht heet ‘uittocht’. Moeten we dat nu begrijpen als een soort toekomstbeeld voor de verloren partner? Toch niet, omdat het het laatste gedicht uit de bundel is als afscheid/waarschuwing van/aan de lezer?
De ik uit de gedichten wordt opgejaagd door een verlangen. De dichter benoemt het als ‘doodsbenauwde haast’. Daar tegenover staat een ochtendlijke ‘bedauwde landweg’ ‘waar nog niets lijkt begonnen’. Rust, maar jij rent. De notering is iconisch:
‘en jij rent
                             jij rent
                                                    jij rent’
De ‘jij’, de ‘ik’ die zichzelf toespreekt, realiseert zich dat hij rent naar een toekomst, waar als het goed is ‘elk verlangen is genezen’.
Hij kan jaloers zijn op de ongenaakbaarheid van een steen. De steen die hij bekijkt - hij lijkt op zoek naar een opening - is ‘in zichzelf genoeg’, vindt ‘in zichzelf vervulling.
Het is een verlangen naar stilstand. Elders in de bundel krijgt dit gestalte in ‘dode roofvogel’.
Het verlangen spreekt ook in ‘hoop hulpmotor hart’: ‘zo afgerond lig ik hier in het graf zo puntgaaf’ en ‘zoafgerond aan alle hoeken zo heerlijk glad en / klaar en af zo ben ik nooit geweest toen dit alles / nog werd bezield’.

Jeroen van Kan, de wereld onleesbaar, uitg. Querido, Amsterdam 2017.
71 pagina’s

zondag 9 oktober 2016

Peggy Verzett – haar vliegstro

Liefde voorbij rationaliteit
Er zit een ontroerende scheur op de linkerwang in de oude foto van Peggy Verzetts moeder. Ze heeft een lieflijk gezicht. Mond in een glimlach een beetje open, geeft zicht op regelmatige boventanden. Kort krullend haar. Het gezicht heeft iets toegeeflijks; ze lijkt bereid tot overgave. Een donkere jurk, hoog gesloten, bij de hals een kinderlijk strikje. Een jeugdfoto van je moeder, van voor je geboorte. Daar moet je lang naar kijken. Wie is zij? Wat dacht zij, voelde zij?
En nu moet haar dochter afscheid gaan nemen. Hoe oud zou de moeder zijn? Ongeveer tachtig? In een verpleeghuis?
De bundel heeft een motto uit Under Milk Wood van Dylan Thomas. Ik citeer de vertaling van Hugo Claus:
Zoek Bessie Groothoofd op in het Wit Boek van Llaregyb en gij zult de luttele, verwarde rafels en de ene arme glinsterende draad van haar geschiedenis in die bladzijden met evenveel liefde en zorg bewaard vinden als de haarlok van een eerste verloren liefde.
De ‘ene arme glinsterende draad’: is dat ‘vliegstro’, haar vliegstro zoals de titel van de bundel luidt? Het kort krullend haar is vliegstro geworden.
‘Met liefde en zorg bewaard’; dat past bij de foto op het voorplat. De dichteres begint aarzelend:
Begin is eind is begin
begin een eind, begin ik een eind
haar einde een begin in een begin kan ik haar
einde als een kind, ik begin een kind
Dan volgt een ‘Klassiek gedicht’, dat wil zeggen een tekst met afgebroken regels, in vier strofen, twee kwatrijnen, twee terzinen en misschien zelfs een volta na de kwatrijnen.
verzettVolgens Piet Gerbrandy in De Gids (nummer 4, 2016), is het tijd ‘voor een poëzie die genres doorbreekt en groots en belachelijk durft te zijn. Poëzie waarin het hart van de dichter klopt.’ Geen afgepaste gedichten meer, maar gedichten en betogende of verhalende of associatieve passages, opsommingen, een bundel van tekstfragmenten. haar vliegstro is er een voorbeeld van, voorbij de rationaliteit, of vóór de rationaliteit. Wat gebeurt er allemaal met de dochter, met haar observaties en gedachten zonder stuur?
Peggy Verzett wil in haar gedichten geen praatjes bij plaatjes geven. Zij wil associatievelden naast elkaar leggen, ‘zoals je ook in een schilderij kan gaan schuiven met kleuren en vormen waardoor een beeld kan ontstaan dat je van tevoren niet hebt bedacht.’ Hier geeft ze vrijmoedig iets uit haar particuliere leven, maar ook nu is ze op zoek naar verrassing, ontregeling. (‘Die makkelijke metaforen worden aangedragen voor de mensen zonder fantasie door de broccoli!’)
lichtdruk fluitwerpen regelt, ochtend is avondschemer
snavels open tegen licht afgestelde
snavels bewegen
ik beweeg de kamer in als een groet
een tijd geleden ben ik in haar kamer geweest
het leer van de bank komt tegemoet en neemt lamplicht mee
de avond zal in de morgen komen
als m’n moeder hier wordt gedregd waarin ze met haar vliegstro ligt
op de avond die haar ochtend
als ze achter zichzelf vandaan californië dreaming in
voor de laatste keer, haar lam klettert op het marmer van
de witte bungalow
al haar Lamsgekletter, het dichtste wit
aan de ton sur tons
(Ton sur tons: naast elkaar geplaatste nuances van een enkele kleur, ontstaan door menging met wit en-of zwart.)
Moeder is ‘De gebalsemde tevens en de rest blijft duisternis in / een verliezende kalkkoper van een notitie, zij is wie zij is in alle bundels van / dichters.’
De dichter noteert de woorden ‘ze is’ vele keren onder elkaar, naast elkaar en weer onder elkaar. Er zijn jeugdherinneringen over het kroos: ‘Dus we hebben het met verkruimeld gemak nog eens over het kroos dat een grasvloer imiteert’.
Zij zit aan het bed van moeder en ziet: ‘Haar luistervingers zijn groot, lang als het werelddek. Zij kan ons / nagelriemend van ’t altaar afpraten. Niet zo gek als de zalen van haar intuïtie / door alles heen rollen’. De lezer kan hier denken aan een gebeurtenis uit het verleden van moeder en dochter: afscheid van het geloof.
Dit is poëzie om steeds weer te lezen, zonder na te denken, lezen met je hart, steeds weer, tot het gaat zingen als een oratorium, met proloog en koor.

Peggy Verzett – haar vliegstro. Querido, Amsterdam. 36 blz. € 16,99.

Mischa Andriessen – Dwalmgasten


Dwaalgasten en galmgaten
Dikke rook tussen de galmgaten; het wordt even helder tussen dikke rookwalmen.
De taal van deze ‘gedichten’ (ja, korte ritmische teksten, afgebroken regels, geheimzinnige wendingen, hoewel ook soms geknipte anekdoten) is glashelder en de betekenis is van glas, scherp gevaarlijk.
dwalmgastenHet gaat in alle teksten uit de bundel om bedreigende situaties. Een vader leert zijn zoon dat niemand te vertrouwen is. Een jager ziet per ongeluk een naakte godin, die hem verandert in een hert, dat door zijn eigen honden wordt verscheurd. Goden zijn niet te vertrouwen. De dichter vertelt niet eenvoudig het verhaal van Ovidius over Aktaion na, maar wel wordt aan het slot van het derde deel van de trits de bespringende roedel opgevoerd en de verbazing van de man.
Neem de oppergod: hij rooft een mooi jongetje en voert hem weg in de klauwen van een adelaar, de god zelf. Bij Rembrandt kun je zien hoe dat gaat. Het arme kind, een peuter nog, huilt en pist van angst. Ganymedes.
Een soort Jozef K. krijgt bezoek van twee ‘schaduwen’, wordt meegevoerd in een auto (die stationair draaiend staat te wachten; Mischa schrijft ‘stationaire wagen’), naar een kamer, moet zich uitkleden, waar misschien een foto van hem wordt gemaakt, gaat terug naar huis en kruipt bang in bed. Wat gaat er nog gebeuren? Rook.
Een vader en een zoon worden vastgebonden aan elkaar de Donau in geholpen. Gesprek tussen vader en zoon over geschoten worden of verdrinken.
De situaties doen denken aan deportaties, vrachtwagens, treinen, gaskamers. De vloek van het verleden heeft nieuwe generaties voorgoed besmet. Dachten we dat we veilig waren? Vluchtelingen betalen voor hulp, maar worden verraden, in de steek gelaten. Pinteriaanse situaties: indringers, die alles kapot maken. Het wordt allemaal droog verteld:
Toen ze aankwamen, waren we verdwenen
en zij waren al weer weg, toen wij tenslotte
uit onze schuilplaatsen tevoorschijn kwamen.
De kamer leek onveranderd op het eerste gezicht
was nergens iets van zijn plaats gekomen.
Zelfs de voordeur hadden ze achter zich dichtgedaan.
We kenden de verhalen van anderen.
Hoe alles overhoop was gehaald
wat breekbaar was gebroken
weg wat mogelijk waarde had.
We zijn gehoord, bad Pa
de armen zo hoog als denkbaar
in de lucht. O mijn god
sidderde Ma, een hand voor de mond.
Ze staarde naar grootmoeders stoel
aan het verre eind tegenover haar
telde ons met een trillende vinger
tot telkens weer een tekort.
Telkens weer een tekort: hoe lang kan Mischa Andriessen hier nog mee doorgaan? In ieder geval zou zijn redacteur Aafke van Hoof, die hij zo uitbundig bedankt, hem moeten suggereren andere thematiek te vinden. De uitgeverij zou het vertrouwen wat mogen temperen en Cees, Bonnie, Camiel, Eva, Nomi, Samuele, Thomas (aan wie de bundel wordt opgedragen) zouden moeten zeggen: ‘Genoeg, je schrijft voor onbekende lezers.’

Mischa Andriessen – Dwalmgasten. De Bezige Bij, Amsterdam. 73 blz. € 17,98.

Elly de Waard – In die tijd die


Pompeus èn lyrisch
De Harmonie is een trouwe uitgever met een divers fonds. Naast Hans Tentije, Elma van Haren en Hannah van Wieringen bijvoorbeeld, geeft zij Elly de Waard uit, vijftien bundels, van 1978 tot nu: In die tijd die.
Elly de Waard is een nadenkende dichter, die kond wil doen van het door haar geziene, beleefde, gelezene, doordachte. De bundel bestaat uit vier afdelingen: Tijd, ruimte; Materie, aarde; Slaap, evenwicht en een Oorlogscyclus. Het begint met ‘De triniteit van Pi’, waarin wordt ingegaan op de oneindigheid van het getal:
Nooit komt het getal dat pi aanduidt –
drie komma éen, vier, één
en een etcetera tot in het oneindige –
aan bij het volgende, de vier’
in-die-tijd-die-elly-de-waardVervolgens wordt dit verbonden met ‘Processen binnen / de evolutie’, met fractalen waarbij ‘de maat / steeds op de plaats blijvend voortgaat / Dat maakt dit ruimtelijk getal / tot transcendent’. Ik heb een wiskundige (met gevoel voor poëzie) gevraagd of de beeldspraak passend is. Hij vond het nogal gezocht, pompeus en wiskundig niet erg helder. Het maakte op hem de indruk van iemand die gesnuffeld had aan de wiskunde, maar die niet helemaal had begrepen doordat zij ongelijksoortige zaken met elkaar verbindt, bij voorbeeld pi en transcendentale getallen.
Ook het volgende gedicht is beschouwend, essayistisch:
Als wij aannemen dat het heelal een
gesloten systeem is, bepaald door zijn
oneindigheid, dan zal het, zoals alle
gesloten systemen, onderhevig zijn
aan de wet van het behoud van energie
Deze stelt dat de totale hoeveelheid
stuwkracht in een geïsoleerd systeem
te allen tijde constant blijft, wat wil
zeggen dat zij niet kan worden gecreëerd
of vernietigd maar alleen worden
omgezet van de ene vorm in de andere
En zo gaat het door. Het afbreken van de zinnen – uit een natuurkundeboek? – moet leiden tot de vorm van een gedicht, maar hoewel ik toegeef dat er poëtische gedachten in deze tekst aanwezig zijn, stel ik me bij een gedicht toch iets anders voor. De poëtische gedachte is deze: ‘Analogiseren wij dit vervolgens naar / de energie die leven heet dan kan een / denkbeeld als reïncarnatie plotseling / volstrekt aannemelijk worden’.
De tekst heeft als tweede strofe de volgende – en ik vind deze behalve poëtisch ook wel geestig, omdat de dichteres de betoogtrant volhoudt.
Maar laten wij dit betoog weer tegenstrijden
met de wind, die afspiegeling van de
energie zelf, die nooit tot stof verwordt
het alleen opschudt, wegblaast, leven waait
in water en beweging in nooit van hun
plaats komende bomen – die vooral zichzelf
verandert en in vele gedaanten tegelijk
kan bestaan in de quantumverstrengeling
van zijn superpositie, multilokaal en
onsterfelijk: de wind
De betoogtrant, een beetje plechtig spreken, houdt zij vol in het titelgedicht, waarin zij woedend reageert op het stenigen van vrouwen uit naam van een zogenaamd heilig boek, of op het in stukken scheuren etc. van een slachtoffer om niets, of op ouders die elkaar zo gingen haten dat ze hun ‘engelachtige’ kinderen en zichzelf vermoordden. Woedend is zij ook in de oorlogsgedichten. Ze is aangedaan door de slachtoffers van de MH17 en het eindeloos interpreteren van wat er nu eigenlijk gebeurd is en wie er schuld heeft. Zij ergert zich aan de leugens.
Er zijn ook lyrische gedichten, vooral de gedichten die te maken hebben met bomen of andere natuurverschijnselen en natuurlijk de liefde en het verlies. De titel verwijst naar het verschijnsel dat je in een discussie pas achteraf bedenkt wat je had moeten zeggen tegen je opponent.
L’esprit de l’escalier
Steeds liep ik achter haar aan
een geur die in de kamer hing
schaduw die langs het raam verging
een deur die dichtgevallen was
waarvan de echo nog weerklonk –
een bril, opzij geschoven en vergeten
auto die niet in de garage stond
Elly de Waard is toch vooral de dichter die rommelt op de zolder van haar weten en speelt met haar ervaringen van alledag ‘en er de gekste clips van knipt’ en de dichter die aansluitend bij de actualiteit, zoals het neerschieten van de MH 17, het gedicht hierover eindigt met het obligate: ‘Hun dood is niet het einde / maar het begin / van een oneindige droefheid’.

Elly de Waard – In die tijd die. De Harmonie, Amsterdam. 57 blz. € 15,90.

Tomas Lieske – Daedalea

Deernis
Eerder schreef ik over Lieske in ‘De Gids’, 1988:
De gedichten van Tomas Lieske zijn uniek. Ze zijn wonderlijk bizar, eigenzinnig, geestig: droombeelden van een dichter. De onderwerpen komen uit diverse tijden en plaatsen, waarbij kennis van en belangstelling voor mythologische verhalen opvalt. De al genoemde preoccupaties scheppen eenheid, maar de wonderlijke verhalen in hun verrassend poëtische taal laten de lezer vaak in verwarring achter, ook al omdat hij de referenties niet altijd kent.

Het is sindsdien een stuk gemakkelijker geworden dankzij zoekprogramma’s op de computer. Je zou zeggen dat Tomas Lieske de krankzinnigste dingen verzint, maar de Peacock spider, te vinden in de nieuwe bundel Daedalea, bestaat echt. Op een YouTube-filmje kun je een raadselachtig ballet zien van deze spin. Ik moest denken aan schilderijen van Lucebert.
De bundel wordt door de schrijver een vertelling in gedichten en prozagedichten genoemd. Eerder publiceerde hij in ‘De Gids’ het eerste deel. Het is een stemmenspel. De stemmen worden vertolkt door acht klonkies. Dat is Zuidafrikaans voor kleurling, meest jonge mannen. Eelementen uit die taal vinden we in de bundel terug. Het spel bestaat uit vier delen of bedrijven en dertien taferelen. Het eerste bedrijf gaat over de terugkeer van Keto Stiefcommando, de hoogvlieger à la Daedalus. Daedalea is de doolhofzwam (Daedalea quercina), een schimmel uit de stam der steeltjeszwammen.
lieskeHet onderwerp van het spel is Mosje die het grote volk verschoppelingen bevrijdt en meevoert naar het Beloofde Land. Daarbij komen we bekende thema’s tegen uit het boek Exodus: twee plagen en tenslotte de gang door een zee met muren van water. Mosje is waarschijnlijk geïnspireerd door een kleurling die bij een bushalte rondliep in een jasjurk op blote voeten. Hij sleepte met manshoge in zwart plastic gebonden vierkante pakken. In dat pak zat oud papier en het merkwaardige was dat de man zo’n pak openmaakte en alles opnieuw ordende. Daarna danste hij een ‘springhazendans’. Het speelt in Parijs, voornamelijk langs de Seine. De verschoppelingen zijn de zwervers, de hoeren, de bedelaars, de Afrikanen. De Egyptenaren zijn de welgestelde Parijzenaars, als pars pro toto voor de Fransen, de westerlingen. En je zult al gauw denken aan het actuele probleem van de vluchtelingen en de eigen-volk-eerst-reacties. Waarbij de vraag is of de achterblijvers het redden zonder dienaren. Uiteindelijk houden de verschoppelingen de economie draaiende.
De klonkies spelen Imker Graat, een soort verteller, die veel met honing heeft, ‘de gomhars van de verschillende taferelen’. Verder: Farao, een koning; Sua Vecito, zijn dochter, die Mosje uit het water laat vissen. Zij speelt ook nog een jongste dochter van de farao op wie Mosje verliefd wordt. Ze moeten elkaar in het geheim ontmoeten. Sua Vecito verwijst naar haarpommade; ze heeft relaties in iedere barbershop. Merci Merci, een dienstmeisje, staat voor alle mensen met ‘een watersoeploon’, in het oude Egypte de tichelbakkers, piramidebouwers. De wraak van de meisjes is gruwelijk. Ze zullen Sua Vecito vastbinden en bewerken met scherpe koksmessen. De paringsdans van Mosje lijkt op die van de peacock spider; kijk maar.
Dit zachte wiegen geldt als intro, nu de strek
correct, maar dan snel omhoog opdat alles
aan mijn lijf lustig gaan vibreren.
Met onze mond kan ook. En als u wilt
mit Regenhut. Ik zet mijn onderlijf
rechtop als varkensleren theemuts, als tiara,
als helmhoed van verborgen en nauwelijks
beschreven wilde stammen, teken van macht
van tovenaars, tirannen, tegenpausen.
Het rood is koninklijk bloed vergoten
in eeuwenoude twisten. Het blauw
is mist en nevel rond stille boerenhoeven.
Het geel is het stroeve, afgebakend licht
van gebrandschilderde namen. Neem,
mevrouw, het geile groen in overgave,
gillend, volledig in het zicht.
Ook in het proza grossiert Lieske in originele en sprekende metaforen: ‘Een pasgeboren ochtendmist trekt met vaandels van natte tule langs de huizen.’ ‘Voor haar is klanten vangen als kakke zonder douwe’.
Het is alles maar een spel, een Shakespeariaanse droom, maar ondertussen hebben we meegeleefd met de clochards en de Afrikanen en ook met de Pakistaan die voor een slagerswinkel ligt te sterven, tot grote zorg van de slager, niet vanwege de Pakistaan, maar vanwege het wegblijven van de klanten, Arabia Felix, één van de meisjes zegt:
Hoeveel verlangens, visioenen scholen in dat hoofd?
Zijn dagen van bewustzijn, zijn reizen naar het westen, hij liep
van de zon weg op zoek naar andere kansen. Wat is de naam
die zijn god in zijn blind en doof hoofd zal dragen?

Tomas Lieske – Daedalea, Querido, Amsterdam-Antwerpen. 76 blz. € 17,98.