maandag 25 april 2016

Mathijs Gomperts, Zes, Van Oorschot, Amsterdam 2016

Kalme jeugdherinneringen

Je bent filosoof en je kijkt terug op de tijd toen je zes jaar was. Hoe doe je dat? Nostalgisch? Filosofisch?
Mathijs Gomperts kiest er voor zo eenvoudig mogelijk te vertellen over zijn jeugdervaringen. Hij doet dat in een gedichtenbundel en hij componeert de herinneringen zorgvuldig, blijft bij zijn onderwerp en vermijdt filosofische gezichtspunten, vraagstellingen, verklaringen.
Wordt het poëzie?

GROOTE KOPPEN, ze kijken uit over de Stille Oceaan,
turen in afwachting van iets, wat weten we niet
iets wat hoop geeft, wat angst inboezemt-
-
Dat begint veelbelovend, we lezen verder:

als pappa praat krullen er uit zijn stoppelige mond
grijze bloemen van sigarenrook
zijn stem kraakt en bromt maar over die koppen -
vroeger hadden ze hoeden maar de passaat
joeg ze van hun hoofden -

ik zit op schoot, mijn hoofd tegen zijn trui
en ik weet alles al van Paaseiland, van die koppen,
hun hoeden, de fatale ontbossing, zelfs van Roggeveen
en Heyerdahl, en toch luister ik
-

Mochten we denken dat het eerste woord een spelfout bevat, dan begrijpen we nu dat vader een oud boek voorleest en dat de zesjarige een vroegwijs ventje is.
De dichter is van 1988; hij is dus 28. Niettemin rookte de vader bij het voorlezen een sigaar. Hoe lang is het roken in de nabijheid van kinderen verdoemd? Minder dan 20 jaar? Of maak ik nu een ernstige fout door de ik te vereenzelvigen met de dichter?

Roggeveen ontdekte op 5 april 1722 (paaszondag) Paaseiland.
-
hoe hij woorden en zinnen herhaalt
ik luister hoe de dode eilanders weer tot leven komen
hoe ze reuzen uit steen hakken, hoe de bomen er weer zijn,

hoe de beelden hoeden dragen aan het strand
hoe zij wachten
-
Het volgende gedicht begint zo:

THELONIOUS kneedt mijn voeten
met zijn bruine vingers, hij drukt
zijn muis in mijn wreef en knijpt
met koude handen in mijn kuiten

In de tweede strofe heeft moeder de voeten van de ik tussen haar handen. De jongen is half wakker: ‘mijn hoofd knikt op het ritme / van half waken, zakt in lagere tonen’. Is er muziek van Thelonious Monk of hoorde hij dat in een droom of in halfslaap. Hij moet plassen en de moeder zegt ‘nou ga dan plassen kleine monnik-‘
Daarna lezen we hoe het kind naar de wc gaat en met zijn piemel op de koude rand staand plast.

In het volgende gedicht zien we een gezin op de tram. Moeder moet de vervoerbewijzen stempelen en de broertjes vragen dat te mogen doen. De ik zit wellicht tussen een ouder broertje Niels en een jonger broertje Thijmen, die elders in de bundel ook figureren. Nu mag de ik de strippenkaarten vouwen (hoe snel worden de dingen ouderwets!), Niels mag kijken of het goed gaat en de jongste wordt opgetild naar de stempelautomaat: ‘korte salvo’s pelotonvuur slaan / de paarse inkt in cijfers neer’

Zo gaat het door. Allerlei jeugdherinneringen worden gepresenteerd. Geen bijzondere herinneringen, maar steeds is er in het gedicht een beetje vreemd, in elk geval opvallend begin of eind.
Een radio reageert op een voorbijganger. De kleine jongen richt de antenne. Dan vertelt moeder dat oma’s kachel als antenne functioneerde. De jongen steekt zijn hoofd in de kachel en hoort in zijn fantasie ‘this is the BBC’.
De beeldspraak is niet zeer afwijkend, soms een beetje te gewoon: een bal draait weg als een boei op zee vol glibberige algen; een schipper draait ploffend aan zijn roer; de jongen schaatst op sokken door de kamer; de haren van een kwast zuigen het laatste van het licht van de ondergaande zon op; duiven dansen een groot, vlerkend ballet.

De foto op de voorplaat laat een kleine jongen zien met plastic schroefpluggen in neus, oren, mond. Hij kijkt ons blank aan, zonder emotie. Dat is ook het bijzondere van de gedichten: ze vertellen jeugdverhaaltjes op een zakelijke, kalme toon. Poëzie? Niet voor iedereen.

Mathijs Gomperts, Zes, Van Oorschot, Amsterdam 2016

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen