maandag 25 april 2016

Marieke Rijneveld, ‘Kalfsvlies’, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2015. 57 pp.

Te voorschijn komen

Marieke Rijneveld, of de ik-figuur in haar debuutbundel  ‘Kalfsvlies’, komt tevoorschijn als kalf uit het vlies van de geboorte; als meisje terwijl zij een jongen was of wilde zijn; als filosoof, die ze altijd al was bij het lezen van de krant, het zien van een film: het regent bijvoorbeeld in de woestijn zonder dat het water de grond raakt;
als dichter die ze ook altijd al was, maar ze had nog niet de taalbeheersing.
Met een verrekijker maak je van dichterbij de verte.
Waarnemingen: winter in het hart is draaglijker als het buiten wit is.
Vondsten: speeksel bestaat grotendeels uit water, eiwitten en onverteerde verlangens. (Daarom kussen we.)
Er was een film met een clown die uit een putje kroop. Sindsdien legt het meisje bij het douchen een washandje op de afvoer. Het is een beeld van horror, zoals dat van allerlei hoeken en gaten waaruit onderduikers te voorschijn komen of meneren die iemand uit het gezin komen ophalen.
Boksers lopen hun pijn tegemoet, ze deinzen niet terug voor tegenslag, zelfs niet voor verlies. Deuren vallen meer op als je iemand verloren hebt. Je kunt weg of je kunt juist tevoorschijn komen.

In de ‘Poëziekrant’, nummer zes, december 2015 schrijft Bram Lambrecht dat de ‘bundel excelleert bovenal in vaak bijzonder originele en betekenisrijke vergelijkingen en metaforen, die binnen een gedicht systematisch interfereren met andere semantische velden.’
Marc Oostendorp doet het in een YouTube filmpje voor met veel bewegingen naar verschillende punten op zijn hoofd.
De gedichten bestaan uit lange sequenties, waarin verteld wordt, geassocieerd, uitgeweid en vervolgens steeds weer wordt teruggekomen op een motief of thema.
Er is een schaap overreden en de dader of de chauffeuse is in de war. Haar koude handen bedekken haar ogen ‘als rauwe sukadelappen’; dood vlees. De hand van een vriendin, ‘tot halve sinaasappel gevormd’, een kommetje dus, drukt zwaar op de knie en beweegt heen en weer, wat doet denken aan het uitpersen van een sinaasappel.
Ah!, zo komen we tot het benoemen van het kommetje van de hand!
Verderop in het gedicht troostwijn, rood; er is bloed, maar al eerder zijn er klaprozen (als herinneringen aan gevallen soldaten). Er komen na twee glazen harde woorden en de chauffeuse krimpt ineen onder de lakens ‘als het schaap onder je autobanden’. Het gedicht eindigt met ‘je hart (dat) in een graf verandert, je hoofd // als een granieten steen erbovenop’. Het gaat niet meer om het schaap, maar het is nog steeds aanwezig in het bewustzijn.

Hoe breekt de dichteres open?
Een rups is onzijdig en krijgt pas als vlinder een mannelijk of vrouwelijk kleurenpatroon. Dit vertelt een persoon aan de ik en hij of zij (ik neem aan ‘zij’) maakte ‘van je armen een cocon / en ik ertussen, twee vormen van openbreken fluisterde je’. De kin van de jij rust op het hoofd van de ik; vervolgens lijkt er een kuiltje in haar schedel te komen, waarin een balletje tot rust kan komen; dat verandert in een golfpinnetje. Er komt een schot met de golfstick om gaten op te vullen. Zonder overgang (na het kussen?) gaat het dan over vervellen van lippen. Vervellen, metamorfoseren. We veranderen steeds. De je omklemt de ik die het hart van de ander voelt bonken tegen haar hart. ‘twee tellen tussen ieder klopping’. Dat doet denken aan het tellen tussen bliksem en donder. ‘ben je nu dichterbij  / dan ooit maar niets in mij weet hoe om te gaan met het kraken / in mijn ruggengraat als inslag in een boom.’
De twee kijken naar elkaars lichaam, naar de veranderingen daar. Ooit krabden ze steeds opnieuw een verpopte rups open, zodat hij een larve bleef. Later werd hij in een luciferdoosje geschoven en (we) ‘beloofden dat we anders zouden worden.’

Marieke Rijneveld, ‘Kalfsvlies’, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2015. 57 pp.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen